Art. 16 Verordening (EU) 2020/698, Verlenging van de in Verordening (EG) nr. 725/2004 vastgestelde termijnen

Verordening (EU) 2020/698

1. Niettegenstaande artikel 3, lid 6, van Verordening (EG) nr. 725/2004 worden de termijnen voor het uitvoeren van de periodieke herziening van beoordelingen van de veiligheid van de havenfaciliteiten die overeenkomstig die bepaling anders zouden zijn verstreken of zouden verstrijken tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020, geacht te zijn of te worden verlengd tot en met 30 november 2020.

2. In afwijking van punt 13.6 van deel B van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 725/2004 worden oefeningen, als die in 2020 niet met de in dat punt vermelde tussenpozen konden of kunnen worden uitgevoerd, in 2020 ten minste tweemaal uitgevoerd met een tussentijd van ten hoogste zes maanden.

3. Niettegenstaande punten 13.7 en 18.6 van deel B van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 725/2004 wordt de termijn van 18 maanden voor de uitvoering van de verschillende soorten oefeningen die overeenkomstig die bepalingen anders zou zijn verstreken of zou verstrijken tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020, telkens geacht te zijn of te worden verlengd met zes maanden, maar hoe dan ook niet tot na 31 december 2020.

4. Voor de toepassing van de voorschriften in punten 13.7 en 18.6 van deel B van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 725/2004, waarin bepaald is dat de verschillende soorten oefeningen minstens eenmaal per kalenderjaar moeten worden uitgevoerd, worden de oefeningen die in 2021 worden uitgevoerd gedurende de periode waarvoor op grond van lid 5 van dit artikel machtiging is verleend, ook geacht te zijn uitgevoerd in 2020.

5. Indien een lidstaat van oordeel is dat beoordelingen van de veiligheid van de havenfaciliteiten of het uitvoeren van de verschillende soorten oefeningen als bedoeld in punten 13.7 en 18.6 van deel B van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 725/2004, waarschijnlijk tot na 31 augustus 2020 onmogelijk zullen blijven door de maatregelen die hij heeft genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, kan hij een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd de in de leden 1 en 3 genoemde perioden en uiterste termijnen, naargelang het geval, te verlengen. Dat verzoek kan betrekking hebben op de periode tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 en/of de uiterste termijnen en/of de periode van zes maanden vermeld in respectievelijk lid 1 en lid 3. Verzoeken moeten uiterlijk op 1 augustus 2020 bij de Commissie worden ingediend.

6. Indien de Commissie op basis van een overeenkomstig lid 5 ingediend verzoek oordeelt dat aan de in dat lid vastgestelde eisen is voldaan, stelt zij een besluit vast waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de respectievelijk in de leden 1 en 3 genoemde perioden en uiterste termijnen te verlengen, overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. De verlenging wordt beperkt ter weerspiegeling van de periode waarin beoordelingen van de veiligheid van de havenfaciliteiten of de uitvoering van de verschillende soorten oefeningen naar verwachting onmogelijk zullen zijn, en mag in geen geval langer zijn dan zes maanden.

De Commissie maakt dat besluit bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Vorige artikelen

Volgende artikelen