Art. 8 Verordening (EU) 2020/698, Verlenging van de in Verordening (EG) nr. 1073/2009 vastgestelde termijnen

Verordening (EU) 2020/698

1. Niettegenstaande artikel 4, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1073/2009, wordt de geldigheid van communautaire vergunningen die anders zouden zijn verstreken of zouden verstrijken tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020, geacht te zijn of te worden verlengd met een periode van zes maanden. Voor eensluidend gewaarmerkte afschriften blijven dienovereenkomstig geldig.

2. Niettegenstaande artikel 8, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1073/2009 nemen de vergunningverlenende instanties binnen zes maanden na de indiening een beslissing over aanvragen voor een vergunning voor geregeld vervoer die door de vervoerder zijn ingediend tussen 12 december 2019 en 31 augustus 2020. Niettegenstaande artikel 8, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1073/2009 stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waaraan overeenkomstig lid 1 van dat artikel instemming met dergelijke aanvragen wordt gevraagd, de vergunningverlenende instantie binnen drie maanden na de aanvraag in kennis van hun beslissing. Indien de vergunningverlenende instantie geen antwoord krijgt binnen drie maanden, worden de geraadpleegde autoriteiten geacht hun instemming te hebben gegeven, en kan de vergunningverlenende instantie de vergunning verlenen. De verlenging van de termijn tot drie maanden voor de lidstaten waaraan uit hoofde van artikel 8, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1073/2009 instemming is gevraagd, is van toepassing op aanvragen die zij hebben ontvangen na 26 maart 2020.

3. Indien een lidstaat van oordeel is dat de verlenging van communautaire vergunningen waarschijnlijk tot na 31 augustus 2020 onmogelijk zal blijven door de maatregelen die hij heeft genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, kan hij een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd de in lid 1 genoemde perioden te verlengen. Dat verzoek kan betrekking hebben op de periode tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 en/of de periode tussen 12 december 2019 en 31 augustus 2020 en/of de periode van zes maanden. Verzoeken moeten uiterlijk op 1 augustus 2020 bij de Commissie worden ingediend.

4. Indien de Commissie op basis van een overeenkomstig lid 3 ingediend verzoek oordeelt dat aan de in dat lid vastgestelde eisen is voldaan, stelt zij een besluit vast waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de in lid 1 genoemde perioden te verlengen, overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. De verlenging wordt beperkt ter weerspiegeling van de periode waarin de verlenging van communautaire vergunningen naar verwachting onmogelijk zal zijn, en mag in geen geval langer zijn dan zes maanden.

De Commissie maakt dat besluit bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

5. Indien een lidstaat geen moeilijkheden heeft gekend en naar verwachting geen moeilijkheden zal kennen die het vernieuwen van communautaire vergunningen tijdens de periode tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 onmogelijk maken als gevolg van de buitengewone omstandigheden veroorzaakt door de uitbraak van COVID-19, of passende nationale maatregelen heeft getroffen om die moeilijkheden te beperken, kan die lidstaat besluiten lid 1 niet toe te passen nadat hij dit eerst aan de Commissie heeft meegedeeld. De Commissie stelt de andere lidstaten daarvan in kennis en publiceert een kennisgeving in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De lidstaat die zoals bepaald in de eerste alinea besloten heeft lid 1 niet toe te passen, mag de grensoverschrijdende activiteiten van marktdeelnemers of personen die hebben vertrouwd op de in lid 1 vervatte afwijkingen die van toepassing zijn in een andere lidstaat, niet beletten.

Vorige artikelen

Volgende artikelen