Art. 6 Verordening (EU) 2019/1241, Definities

Verordening (EU) 2019/1241

Voor de toepassing van deze verordening gelden, naast de in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde definities, de volgende definities:

1. „exploitatiepatroon”: de manier waarop de visserijsterfte is verdeeld over het leeftijds- en grootteprofiel van een bestand;

2. „selectiviteit”: een kwantitatieve aanduiding die wordt weergegeven als de waarschijnlijkheid dat biologische rijkdommen van de zee van een bepaalde grootte en/of soort wordt gevangen;

3. „gerichte visserij”: op een specifieke soort of groep soorten gerichte visserijinspanning die bij gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 27, lid 7, van deze verordening op regionaal niveau nader kan worden bepaald;

4. „goede milieutoestand”: de in artikel 3, lid 5, van Richtlijn 2008/56/EG gedefinieerde milieutoestand van mariene wateren;

5. „staat van instandhouding van een soort”: de som van de invloeden die op de betrokken soort inwerken en die op lange termijn gevolgen kunnen hebben voor de verspreiding en abundantie van de populaties daarvan;

6. „staat van instandhouding van een habitat”: de som van de invloeden die op de betrokken natuurlijke habitat en de daar voorkomende typische soorten inwerken en op lange termijn gevolgen kunnen hebben voor de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat of het voortbestaan op lange termijn van de betrokken typische soorten;

7. „kwetsbare habitat”: een habitat waarvan de staat van instandhouding, met inbegrip van de omvang en de toestand (structuur en functie) van zijn biotische en abiotische componenten, onder druk van menselijke activiteiten, met inbegrip van visserijactiviteiten, negatief wordt beïnvloed. Kwetsbare habitats omvatten met name de in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG opgenomen habitattypen en de habitats van de in bijlage II bij die richtlijn opgenomen soorten, de habitats van de in bijlage I bij Richtlijn 2009/147/EG opgenomen soorten, de habitats die moeten worden beschermd om een goede milieutoestand uit hoofde van Richtlijn 2008/56/EG te bereiken en de kwetsbare mariene ecosystemen als gedefinieerd in artikel 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 734/2008 van de Raad (27);

8. „kwetsbare soort”: een soort waarvan de staat van instandhouding, met inbegrip van haar habitat en verspreiding en de omvang of de toestand van haar populatie, onder druk van menselijke activiteiten, met inbegrip van visserijactiviteiten, negatief wordt beïnvloed. Kwetsbare soorten omvatten met name de in de bijlagen II en IV bij Richtlijn 92/43/EEG opgenomen soorten, de soorten die onder Richtlijn 2009/147/EG vallen, en de soorten die moeten worden beschermd om een goede milieutoestand uit hoofde van Richtlijn 2008/56/EG te bereiken;

9. „kleine pelagische soorten”: soorten zoals makreel, haring, horsmakreel, ansjovis, sardine, blauwe wijting, zilvervis, sprot en evervis;

10. „adviesraden”: groepen van belanghebbenden die overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 zijn opgericht;

11. „trawl”: vistuig dat actief door een of meer vissersvaartuigen wordt gesleept en bestaat uit een net dat aan de achterkant is afgesloten door een zak of een kuil;

12. „gesleept vistuig”: trawls, Deense zegens, dreggen en vergelijkbaar vistuig die actief door het water worden gesleept door een of meer vissersvaartuigen of door een ander mechanisch systeem;

13. „bodemtrawl”: een trawl die is ontworpen en toegerust voor gebruik op of nabij de zeebodem;

14. „bodemspantrawl”: een bodemtrawl die gelijktijdig door twee vaartuigen wordt gesleept, waarbij elke zijde van de trawl door één vaartuig wordt gesleept. De trawl wordt horizontaal opengehouden door de afstand tussen de twee vaartuigen tijdens het slepen;

15. „pelagische trawl”: een trawl die is ontworpen en toegerust voor gebruik in de waterkolom (het pelagiaal);

16. „boomkor”: vistuig met een trawlnet dat horizontaal wordt opengehouden door een boom, vleugel, of een soortgelijke voorziening;

17. „elektrische pulskor”: trawl die gebruik maakt van elektrische stroom om biologische rijkdommen van de zee te vangen;

18. „Deense zegen” of „Schotse zegen”: een gesleept omringend vistuig dat vanaf een vaartuig wordt bediend door middel van twee lange lijnen (vislijnen), met het doel de vis naar de opening van de zegen te leiden. Dit type vistuig bestaat uit een net dat naar ontwerp vergelijkbaar is met een bodemtrawl;

19. „landzegens”: omsluitingsnetten en gesleepte zegens die worden uitgezet vanuit een vaartuig en naar de kust worden getrokken, en die worden bediend vanaf de kust of vanuit een vaartuig dat nabij de kust is aangemeerd of geankerd;

20. „omsluitingsnetten”: netten waarmee vis wordt gevangen door deze van opzij en van onderen te omsluiten. Deze netten zijn al dan niet voorzien van een sluitlijn;

21. „ringzegens” of „ringnetten”: omsluitingsnet waarvan de bodem wordt samengetrokken door een sluitlijn aan de onderkant van het net, die door een reeks ringen langs de onderpees loopt, waardoor het net kan worden samengetrokken en gesloten;

22. „dreg”: vistuig dat hetzij actief door de hoofdmotor van het vaartuig wordt gesleept (door een vaartuig gesleepte dreg), hetzij door een motorlier vanop een geankerd vaartuig wordt bediend (motordreg), voor de vangst van tweekleppigen, buikpotigen of sponsen en dat uit een zaknet of een metalen korf op een vast frame of een stang van variabele afmetingen en vorm met onderaan eventueel een rond, scherp of gekarteld blad bestaat en eventueel met steunblokken en duikplaten is uitgerust. Sommige dreggen zijn uitgerust met hydraulische apparatuur (hydraulische dreggen). Dreggen die in ondiep water, met of zonder vaartuig, met de hand of met handbediende lieren worden getrokken voor de vangst van tweekleppigen, buikpotigen of sponsen (handdreggen), worden voor de toepassing van deze verordening niet als gesleept vistuig beschouwd;

23. „staand net”: elk soort kieuwnet, warrelnet of schakelnet dat aan de bodem is geankerd en dat is bedoeld om er vis in te laten zwemmen die in het net verstrikt of verward raakt;

24. „drijfnet”: een net dat door drijflichamen op het wateroppervlak of op een bepaalde afstand daaronder wordt gehouden en dat vrijelijk meedrijft met de stroom of met het vaartuig waaraan het is bevestigd. Dit net mag uitgerust zijn met voorzieningen om het net te stabiliseren of het drijven ervan te beperken;

25. „kieuwnet”: staand net dat uit een enkel net bestaat en verticaal in het water wordt gehouden door drijvers en zinkers;

26. „warrelnet”: staand net dat bestaat uit een netwerk dat zo aan de touwen is vastgemaakt dat er meer loshangend net is dan bij een kieuwnet;

27. „schakelnet”: staand net dat bestaat uit meerdere lagen met twee grofmazige lagen aan de buitenkant en daartussen een fijnmazig net;

28. „combinatie van kieuw- en schakelnet”: geankerd kieuwnet in combinatie met een schakelnet, dat het onderste gedeelte vormt;

29. „beug”: vistuig bestaande uit een hoofdlijn van variabele lengte waaraan bijlijnen (sneuen) met haken zijn bevestigd op een onderlinge afstand die wordt bepaald door de doelsoort. De hoofdlijn kan horizontaal op of nabij de bodem of verticaal geankerd zijn, of op het zeeoppervlak drijven;

30. „korven en kubben”: voor de vangst van schaaldieren, weekdieren of vissen bestemde, op of boven de zeebodem geplaatste vallen in de vorm van kooien of manden met een of meer openingen of gaten;

31. „handlijn”: een enkele vislijn met daaraan een of meer exemplaren kunstaas of haken met aas bevestigd;

32. „andreaskruis”: een grijper die met een schaarbeweging bijvoorbeeld tweekleppige weekdieren of rood koraal van de zeebodem opvist;

33. „kuil”: het achterste gedeelte van de trawl, hetzij cilindervormig, met dezelfde omtrek over de hele lengte, hetzij trechtervormig. Deze kan uit een of meer wanden (stukken netwerk) bestaan die langs de zijkanten aan elkaar zijn vastgemaakt en kan de tunnel bevatten die bestaat uit een of meer wanden die zich vlak voor de kuil in strikte zin bevinden;

34.

:

i) voor geknoopt netwerk: de langste afstand tussen twee tegenover elkaar liggende knopen in dezelfde maas wanneer die volledig is gestrekt;

ii) voor knooploos netwerk: de binnenafstand tussen de tegenover elkaar liggende verbindingen in dezelfde maas wanneer die volledig is gestrekt langs de langst mogelijke as;

35. „vierkante maas”: vierhoekige maas met twee stellen evenwijdige zijden van dezelfde nominale lengte, waarbij één stel evenwijdig is met de lengteas van het net en het andere er loodrecht op staat;

36. „ruitvormige maas”: maas met vier zijden van dezelfde lengte waarbij de twee diagonalen van de maas loodrecht op elkaar staan en één diagonaal evenwijdig is met de lengteas van het net;

37. „T90”: trawls, Deense zegens of soortgelijk gesleept vistuig met een kuil en tunnel uit geknoopt netwerk met ruitvormige mazen dat 90° is gedraaid, zodat het net in hoofdzaak evenwijdig met de sleeprichting loopt;

38. „Bacoma-ontsnappingspaneel”: een ontsnappingspaneel uit knooploos netwerk met vierkante mazen dat in het bovenpaneel van de kuil is bevestigd en waarvan de onderste rand zich niet meer dan vier mazen van de pooklijn bevindt;

39. „zeeflap”: een stuk netwerk dat langs de volledige omtrek aan de garnalentrawl is vastgemaakt vóór de kuil of de tunnel en dat in de vorm van een trechter uitloopt in een punt die is vastgemaakt aan de bodem van de garnalentrawl. Waar de zeeflap en de kuil elkaar raken, is een ontsnappingsopening gemaakt waardoor soorten of individuele dieren die te groot zijn voor de zeef, kunnen ontsnappen, terwijl de garnalen door de zeef in de kuil kunnen zwemmen;

40. „hoogte”: het totaal van de hoogten van de natte mazen, knopen inbegrepen, in een net, wanneer dit nat is en loodrecht is gestrekt ten opzichte van de drijflijn;

41. „onderwater- of uitzettijd”: de periode vanaf het tijdstip waarop het vistuig voor het eerst in het water wordt gelaten tot het tijdstip waarop het vistuig weer volledig aan boord is gehaald;

42. „monitoringsensoren voor vistuig”: elektronische sensoren die op vistuig worden bevestigd voor de monitoring van de belangrijkste prestatieparameters, zoals de afstand tussen de trawlborden of het vangstvolume;

43. „verzwaarde lijn”: lijn van haken met aas, voorzien van extra gewicht om de zinksnelheid te verhogen en zo de tijd dat de lijn wordt blootgesteld aan zeevogels te verminderen;

44. „akoestisch afschrikmiddel”: een middel om soorten zoals zeezoogdieren uit de buurt te houden van vistuig door akoestische signalen uit te zenden;

45. „vogelverschrikkerlijnen”: lijnen met wimpels die tijdens het vissen met van aas voorziene haken vanaf een hoog punt nabij de achtersteven van vissersvaartuigen worden gesleept om zeevogels van de haken weg te jagen;

46. „rechtstreekse uitzetting”: het loslaten van levende wilde dieren van een specifieke soort in wateren waar deze soort natuurlijk voorkomt, teneinde de natuurlijke productie van het aquatisch milieu te benutten om het aantal voor visserij beschikbare vissen te verhogen en/of de natuurlijke aanwas te verbeteren;

47. „overbrenging”: het proces waarin een soort opzettelijk door de mens wordt overgebracht naar en losgelaten in gebieden met gevestigde populaties van die soort;

48. „selectiviteitsprestatie-indicator”: een referentie-instrument voor het monitoren van de vorderingen mettertijd met de verwezenlijking van de GVB-doelstelling inzake het tot een minimum beperken van ongewenste vangsten;

49. „harpoengeweer”: een pneumatisch of mechanisch aangedreven handwapen dat een speer afschiet met het oog op onderwatervisserij;

50. „optimaleselectiviteitslengte (Lopt)”: de op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies vastgestelde gemiddelde lengte bij vangst voor een optimale groei van de individuen in een bestand.