Art. 11 Verordening (EU) 2019/1241, Vangsten van zeezoogdieren, zeevogels en zeereptielen
1. Het vangen, aan boord houden, overladen of aanlanden van de in de bijlagen II en IV bij Richtlijn 92/43/EEG vermelde zeezoogdieren of zeereptielen en van de onder Richtlijn 2009/147/EG vallende soorten zeevogels is verboden.
2. Gevangen exemplaren van de in lid 1 bedoelde soorten worden ongedeerd gelaten en onmiddellijk vrijgelaten.
3. Niettegenstaande de leden 1 en 2 is het aan boord houden, het overladen of het aanlanden van incidenteel gevangen exemplaren van in lid 1 bedoelde mariene soorten toegestaan voor zover deze activiteit noodzakelijk is ter ondersteuning van het herstel van de afzonderlijke dieren en voor wetenschappelijk onderzoek naar incidenteel gedode exemplaren, en op voorwaarde dat de betrokken bevoegde nationale autoriteiten daarvan vooraf, zo snel mogelijk na de vangst en in overeenstemming met het toepasselijke Unierecht, volledig op de hoogte zijn gebracht.
4. Op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies kan een lidstaat voor vaartuigen die zijn vlag voeren, maatregelen die de gebruiksgerelateerde gevolgen en het gebruik van bepaald vistuig beperken, vaststellen. De vangsten van de in lid 1 van dit artikel bedoelde soorten worden door die maatregelen tot een minimum beperkt en waar mogelijk uitgebannen, en die maatregelen zijn verenigbaar met de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde doelstellingen en zijn ten minste even streng als de uit hoofde van het Unierecht geldende technische maatregelen.
5. Maatregelen die op grond van lid 4 van dit artikel worden vastgesteld, zijn erop gericht het in artikel 4, lid 1, onder b), vermelde streefdoel te bereiken. De lidstaten brengen, voor controledoeleinden, de overige betrokken lidstaten op de hoogte van uit hoofde van lid 4 van dit artikel vastgestelde bepalingen. Zij maken ook de relevante informatie over deze maatregelen openbaar.