Art. 13 Verordening (EU) 2019/1241, Minimuminstandhoudingsreferentiegrootten
1. De in deel A van de bijlagen V tot en met X bij deze verordening vastgestelde minimuminstandhoudingsreferentiegrootten van mariene soorten gelden:
a) ter bescherming van jonge exemplaren van mariene soorten overeenkomstig artikel 15, leden 11 en 12, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;
b) voor het instellen van gebieden voor herstel van de bestanden overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EU) nr. 1380/2013;
c) voor het bepalen van de minimummaten voor de afzet overeenkomstig artikel 47, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad (28).
2. De grootte van mariene soorten wordt gemeten overeenkomstig bijlage IV.
3. Als meer dan één methode voor het meten van de grootte van een mariene soort is toegestaan, wordt het exemplaar niet geacht kleiner dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte te zijn als de volgens een van die methoden gemeten grootte gelijk is aan of groter is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte.
4. Zeekreeften, langoesten, tweekleppige en buikpotige weekdieren die behoren tot een van de soorten waarvoor in bijlage V, VI of VII minimuminstandhoudingsreferentiegrootten zijn vastgesteld, mogen slechts in hun geheel aan boord gehouden en aangeland worden.