Art. 16 Verordening (EU) 2018/1046, Regels bij vaststelling van de begroting met vertraging
1. Indien de begroting bij het begin van het begrotingsjaar niet definitief is vastgesteld, is de in de eerste alinea van artikel 315 VWEU bedoelde procedure (het systeem van voorlopige twaalfden) van toepassing. Vastleggingen en betalingen kunnen worden verricht binnen de in lid 2 van dit artikel bepaalde grenzen.
2. Vastleggingen kunnen per hoofdstuk worden verricht, tot maximaal een kwart van het totaal van de kredieten die in het betrokken hoofdstuk voor de begroting van het voorgaande begrotingsjaar zijn toegestaan, vermeerderd met een twaalfde voor elke verstreken maand.
Het maximum van de kredieten die zijn voorzien in de ontwerpbegroting, wordt niet overschreden.
Betalingen kunnen maandelijks per hoofdstuk worden verricht, tot maximaal een twaalfde van de kredieten die in het betrokken hoofdstuk voor de begroting van het voorgaande begrotingsjaar zijn toegestaan. Die betalingen mogen evenwel niet meer dan een twaalfde bedragen van de in hetzelfde hoofdstuk van de ontwerpbegroting voorziene kredieten.
3. Onder de in de leden 1 en 2 bedoelde kredieten die voor de begroting van het voorgaande begrotingsjaar in het betrokken hoofdstuk zijn toegestaan wordt verstaan de kredieten die na stemming in de begroting zijn opgenomen, ook door middel van gewijzigde begrotingen, na aanpassing voor overschrijvingen tijdens dat begrotingsjaar.
4. Indien de continuïteit van het optreden van de Unie en het beheer zulks vereisen, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, zowel voor de vastleggingen als voor de betalingen, uitgaven ter hoogte van meer dan één voorlopige twaalfde, maar niet meer dan een totaal van vier voorlopige twaalfden toestaan, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen, boven die welke automatisch beschikbaar komen ingevolge de leden 1 en 2. De Raad zendt zijn desbetreffende besluit onverwijld aan het Europees Parlement.
Het in de eerste alinea genoemde besluit treedt in werking 30 dagen na de vaststelling ervan, tenzij het Europees Parlement:
a) bij meerderheid van zijn leden besluit de betrokken uitgaven vóór het verstrijken van de termijn van 30 dagen te verminderen, in welk geval de Commissie een nieuw voorstel indient;
b) de Raad en de Commissie meedeelt dat het de uitgaven niet wenst te verminderen, in welk geval het besluit vóór het verstrijken van de termijn van 30 dagen in werking treedt.
De bijkomende twaalfden worden als een geheel toegestaan en kunnen niet worden opgedeeld.
5. Indien voor een bepaald hoofdstuk vier voorlopige twaalfden die in overeenstemming met lid 4 zijn toegestaan, niet toereikend zijn ter dekking van de uitgaven die nodig zijn om een breuk in de continuïteit van het optreden van de Unie op het door het betrokken hoofdstuk bestreken gebied te voorkomen, kan bij wijze van uitzondering een overschrijding van het aan kredieten geboekte bedrag in het overeenkomstige hoofdstuk van de begroting voor het voorgaande begrotingsjaar worden toegestaan. Het Europees Parlement en de Raad besluiten overeenkomstig de procedure van lid 4. Het totale bedrag van de in de begroting van het voorgaande begrotingsjaar of in de voorgestelde ontwerpbegroting opgenomen kredieten mag evenwel in geen geval worden overschreden.