Art. 23 Richtlijn (EU) 2018/2001, Integratie van hernieuwbare energie in verwarming en koeling

Richtlijn (EU) 2018/2001

1. Om het gebruik van hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingssector te bevorderen, streeft elke lidstaat, ernaar het aandeel hernieuwbare energie in die sector te doen toenemen met indicatief 1,3 procentpunt als een jaarlijks gemiddelde berekend voor de perioden 2021-2025 en 2026-ten opzichte van het aandeel hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingssector in 2020, uitgedrukt in nationaal aandeel eindenergieverbruik en berekend volgens de in artikel 7 bepaalde methode, onverminderd lid 2 van dit artikel. Die verhoging wordt beperkt tot indicatief 1,1 procentpunt voor lidstaten waar afvalwarmte en -koude niet wordt gebruikt. De lidstaten geven, waar toepasselijk, voorrang aan de best beschikbare technologie.

2. Voor de toepassing van lid 1 mag elke lidstaat bij de berekening van zijn aandeel hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingssector en van zijn gemiddelde jaarlijkse toename overeenkomstig dat lid:

a) afvalwarmte en -koude meetellen, beperkt tot 40 % van de gemiddelde jaarlijkse toename;

b) wanneer zijn aandeel hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingssector van meer dan 60 % bedraagt, dat aandeel meetellen als een aandeel dat aan de jaarlijkse toename voldoet.

c) wanneer zijn aandeel hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingssector meer dan 50 % en tot en met 60 % bedraagt, dat aandeel meetellen als de helft van de te bereiken jaarlijkse toename.

Bij het besluiten over maatregelen met het oog op de inzet van energie uit hernieuwbare bronnen in de verwarmings- en koelingssector kunnen de lidstaten rekening houden met kosteneffectiviteit, die beïnvloed worden door structurele belemmeringen als gevolg van het hoge aandeel aardgas of koeling, of van een verspreide bebouwingsstructuur met een lage bevolkingsdichtheid.

Wanneer die maatregelen zouden leiden tot een lagere gemiddelde jaarlijkse toename dan bedoeld in lid 1 van dit artikel, maken de lidstaten dit bekend, bijvoorbeeld door middel van hun geïntegreerde nationale voortgangsverslagen over energie en klimaat op grond van artikel 20 van Verordening (EU) 2018/1999, en verstrekken de Commissie redenen, inclusief voor de keuze van de in de tweede alinea van dit lid bedoelde maatregelen.

3. De lidstaten kunnen op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria een lijst opstellen en bekendmaken, met maatregelen, en de uitvoeringsinstanties aanwijzen en bekendmaken, zoals brandstofleveranciers, openbare of professionele instanties die moeten bijdragen aan de in lid 1 bedoelde gemiddelde jaarlijkse toename.,

4. De in lid 1 bedoelde gemiddelde jaarlijkse toename kan door de lidstaten worden verwezenlijkt door middel van onder meer een of meer van de volgende opties:

a) fysieke vermenging van hernieuwbare energie of afvalwarmte en -koude in de voor verwarming en koeling geleverde energie en brandstof;

b) directe mitigerende maatregelen, zoals de installatie in gebouwen van hoogrenderende hernieuwbare verwarmings- en koelingssystemen, of het gebruik van hernieuwbare energie of afvalwarmte en -koude in industriële verwarmings- en koelingsprocessen;

c) indirecte mitigerende maatregelen die worden gedekt door verhandelbare certificaten waarmee wordt aangetoond dat de verplichting van lid 1 wordt nageleefd door middel van steun aan indirecte mitigerende maatregelen die worden uitgevoerd door een andere marktspeler, zoals een onafhankelijke installateur van hernieuwbare-energietechnologie of een energiedienstverlener die diensten verleent voor installaties voor hernieuwbare energie.

d) andere beleidsmaatregelen met gelijke werking om de in lid 1 vermelde gemiddelde jaarlijkse toename te bereiken, waaronder fiscale maatregelen en andere financiële prikkels.

Bij de vaststelling en uitvoering van de in de eerste alinea bedoelde maatregelen streven de lidstaten ernaar ervoor te zorgen dat de maatregelen toegankelijk zijn voor alle consumenten, met name met een laag inkomen of kwetsbare huishoudens, die anders niet over voldoende kapitaal zouden beschikken om er gebruik van te kunnen maken.

5. De lidstaten kunnen gebruikmaken van de uit hoofde van de in artikel 7 van Richtlijn 2012/27/EU bepaalde nationale energiebesparingsverplichtingen opgezette structuren om de in lid 3 van dit artikel bedoelde maatregelen uit te voeren en daarop toe te zien.

6. Wanneer instanties overeenkomstig lid 3 zijn aangewezen, zorgen de lidstaten ervoor dat de bijdrage van die aangewezen instanties meetbaar en verifieerbaar is en dat de aangewezen entiteiten jaarlijks verslag uitbrengen over:

a) de totale hoeveelheid voor verwarming en koeling geleverde energie;

b) de totale hoeveelheid voor verwarming en koeling geleverde hernieuwbare energie;

c) de hoeveelheid voor verwarming en koeling geleverde afvalwarmte en -koude;

d) het aandeel hernieuwbare energie en afvalwarmte en -koude in de totale hoeveelheid voor verwarming en koeling geleverde energie, en

e) het soort hernieuwbare energiebron.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen