Art. 28 Richtlijn (EU) 2018/2001, Overige bepalingen inzake hernieuwbare energie in de vervoerssector
1. Om het risico dat afzonderlijke leveringen in de Unie meer dan eens worden aangevoerd, tot een minimum te beperken, versterken de Commissie en de lidstaten de samenwerking tussen de nationale systemen onderling en tussen de nationale systemen en de vrijwillige systemen en certificeringsorganen die overeenkomstig artikel 30zijn ingesteld, waarbij in voorkomend geval ook gegevens worden uitgewisseld. Indien de bevoegde instantie van een lidstaat bedrog vermoedt of constateert, brengt zij, waar passend, de andere lidstaten op de hoogte.
2. De Commissie zorgt ervoor dat een Uniedatabank wordt opgezet die het mogelijk maakt vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen te volgen die in aanmerking komen om te worden meegeteld bij de berekening van de in artikel 27, lid 1, onder b), bedoelde teller of die worden meegenomen voor de in artikel 29, lid 1, eerste alinea, onder a), b) en c), genoemde doeleinden. De lidstaten eisen dat de betrokken marktdeelnemers informatie in die databank invoeren over de transacties en de duurzaamheidskenmerken van die brandstoffen, met inbegrip van hun broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus, van hun plaats van productie tot aan de brandstofleverancier die de brandstof in de handel brengt. Een lidstaat kan een nationale databank opzetten die aan de Uniedatabank wordt gekoppeld waarbij ervoor wordt gezorgd dat ingevoerde informatie onmiddellijk tussen de databanken wordt doorgegeven.
De brandstofleveranciers voeren de informatie in de relevante databank in die nodig is om na te gaan of is voldaan aan de voorschriften van artikel 25, lid 1, eerste en vierde alinea.
3. Uiterlijk op 31 december 2021 nemen de lidstaten maatregelen om ervoor te zorgen dat brandstoffen uit hernieuwbare energiebronnen voor het vervoer beschikbaar zijn, waaronder met betrekking tot openbaar toegankelijke oplaadpunten met hoog vermogen en andere tankinfrastructuur, zoals voorzien in hun nationale beleidskaders overeenkomstig Richtlijn 2014/94/EU.
4. De lidstaten hebben toegang tot de in lid 2 van dit artikel bedoelde Uniedatabank. Zij nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de marktdeelnemers de juiste informatie invoeren in de relevante databank. De Commissie verlangt dat in het kader van de systemen waarvoor een besluit op grond van artikel 30, lid 4, van deze richtlijn, moet worden genomen, bij de controle op de naleving van de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen wordt nagegaan of aan die eis is voldaan en om de twee jaar, geaggregeerde gegevens uit de Uniedatabank worden gepubliceerd, overeenkomstig bijlage VIII van Verordening (EU) 2018/1999.
5. Uiterlijk op 31 december 2021 stelt de Commissie overeenkomstig artikel 32 uitvoeringshandelingen vast ter aanvulling van deze richtlijn door de specificering van de methode voor het bepalen van het aandeel biobrandstoffen, en biogas voor vervoer, uit biomassa die in een gezamenlijk proces met fossiele brandstoffen worden verwerkt, en door de methode te specificeren voor de beoordeling van broeikasgasemissiereducties door hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en door brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof, die waarborgen dat geen kredieten voor voorkomen emissies worden verstrekt voor CO2voor het afvangen waarvan reeds in het kader van andere wettelijke bepalingen emissiekredieten zijn verstrekt.
6. Uiterlijk op 25 juni 2019 en elke twee jaar daarna evalueert de Commissie de lijst van grondstoffen in de delen A en B van bijlage IX met het oog op het toevoegen van grondstoffen overeenkomstig de in de derde alinea vastgestelde beginselen.
De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 35 vast te stellen om de lijst van grondstoffen in de delen A en B van bijlage IX te wijzigen door het toevoegen, maar niet schrappen, van grondstoffen. Grondstoffen die alleen door middel van geavanceerde technologie kunnen worden verwerkt, worden toegevoegd aan deel A van bijlage IX. Grondstoffen die kunnen worden verwerkt in biobrandstoffen, of biogas voor vervoer, door middel van volwassen technologieën, worden toegevoegd aan deel B van bijlage IX.
Dergelijke gedelegeerde handelingen zijn gebaseerd op een analyse van het potentieel van de grondstof om als grondstof voor de productie van biobrandstoffen en biogas voor vervoer te dienen, rekening houdend met:
a) de in Richtlijn 2008/89/EG bepaalde beginselen van de circulaire economie en de afvalhiërarchie bepaald;
b) de in artikel 29, leden 2 tot en met 7, bepaalde duurzaamheidscriteria van de Unie;
c) de noodzaak aanzienlijk verstorende effecten op markten voor (bij)producten, afvalstoffen of residuen te voorkomen;
d) het potentieel om, vergeleken met fossiele brandstoffen en op basis van een levenscyclusbeoordeling van emissies, substantiële broeikasgasemissiereducties op te leveren;
e) de noodzaak negatieve gevolgen voor het milieu en de biodiversiteit te voorkomen;
f) de noodzaak geen extra vraag naar land te veroorzaken.
7. Uiterlijk op 31 december 2025 beoordeelt de Commissie, in het kader van de tweejaarlijkse beoordeling van de gemaakte vooruitgang op grond van Verordening (EU) 2018/1999, of de in artikel 25, lid 1, vierde alinea, vastgelegde verplichting met betrekking tot geavanceerde biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX, deel A, vermelde grondstoffen, daadwerkelijk innovatie stimuleert en tot reductie van broeikasgasemissiereducties in de vervoersector leidt. Bij die beoordeling wordt ook door de Commissie nagegaan of met de toepassing van dit artikel inderdaad wordt voorkomen dat hernieuwbare energie dubbel wordt geteld.
Indien nodig dient de Commissie een wetgevingsvoorstel in tot wijziging van de in artikel 25, lid 1, vierde alinea bedoelde verplichting met betrekking tot geavanceerde biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX, deel A, vermelde grondstoffen.