Art. 24 Richtlijn (EU) 2018/2001, Stadsverwarming en -koeling
1. De lidstaten zorgen ervoor dat aan de eindgebruikers informatie wordt verstrekt over de energieprestaties van en het aandeel hernieuwbare energie in hun stadsverwarmings- en koelingssystemen, en wel op een makkelijk toegankelijke wijze, zoals op de websites van leveranciers, op jaarlijkse facturen of op verzoek.
2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen en stellen de nodige voorwaarden opdat afnemers van stadsverwarmings- en koelingssystemen die geen efficiënte stadsverwarmings- en koelingssystemen zijn of die op basis van een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd plan niet uiterlijk op 31 december 2025 zo'n systeem zijn, kunnen worden afgesloten door beëindiging of wijziging van hun overeenkomst teneinde zelf verwarming of koeling uit hernieuwbare bronnen te produceren.
Indien de beëindiging van een overeenkomst vergezeld gaat van fysieke afsluiting, kan die beëindiging afhankelijk worden gesteld van de compensatie voor de rechtstreeks als gevolg van de fysieke afsluiting geleden kosten en het niet-afgeschreven deel van de activa die nodig zijn om die consument warmte en koude te leveren.
3. De lidstaten kunnen het recht om overeenkomstig lid 2 door beëindiging of wijziging van een overeenkomst afgesloten te worden beperken tot afnemers die kunnen bewijzen dat de geplande alternatieve oplossing voor de levering van verwarming of koeling zal leiden tot aanzienlijk betere energieprestaties. De energieprestatiebeoordeling van de alternatieve leveringsoplossing kan op het energieprestatiecertificaat worden gebaseerd.
4. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat de stadsverwarmings- en -koelingssystemen bijdragen tot de in artikel 23, lid 1, van deze richtlijn bedoelde toename door ten minste een van de volgende opties toe te passen:
a) de lidstaten trachten het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen en uit afvalwarmte en -afvalkoude in stadsverwarming en -koeling te doen toenemen met ten minste één procentpunt als jaarlijks gemiddelde berekend voor de periodes 2021-2025 en 2026-2030, ten opzichte van het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen en uit afvalwarmte en -koude in stadsverwarming en -koeling in 2020 bereikte niveau, uitgedrukt in aandeel eindenergieverbruik in stadsverwarming en -koeling, door maatregelen uit te voeren waarvan kan worden verwacht dat zij die gemiddelde jaarlijkse toename op gang zullen brengen in jaren met normale weersomstandigheden.
Lidstaten met een aandeel energie uit hernieuwbare bronnen en uit afvalwarmte en -koude in stadsverwarming en -koeling van meer dan 60 % mogen ervan uitgaan dat met dat aandeel aan de in de eerste alinea van dit punt bedoelde voorwaarde betreffende de jaarlijkse gemiddelde toename is voldaan.
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de in de eerste alinea van dit punt bedoelde jaarlijkse gemiddelde toename op te nemen in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen op grond van bijlage I van Verordening (EU) 2018/1999.
b) de lidstaten zorgen ervoor dat de beheerders van stadsverwarmings- of -koelingssystemen verplicht zijn leveranciers van energie uit hernieuwbare bronnen en afvalwarmte en -koude aan te sluiten of verplicht zijn aan te bieden om warmte en koude uit hernieuwbare bronnen en afvalwarmte of -koude van derde leveranciers op basis van door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat vastgestelde niet-discriminerende criteria, aan te sluiten of af te nemen, indien zij een of meer van het volgende moeten doen:
i) tegemoetkomen aan de vraag van nieuwe klanten,
ii) de bestaande warmte- of koudeopwekkingscapaciteit vervangen,
iii) de bestaande warmte- of koudeopwekkingscapaciteit uitbreiden.
5. Als de optie van lid 4, onder b), door een lidstaat wordt uitgeoefend, kan een beheerder van een stadsverwarmings- of -koelingssysteem weigeren in een aansluiting te voorzien en warmte of koude af te nemen van derde leveranciers indien:
a) in het systeem de nodige capaciteit ontbreekt ten gevolge van andere leveringen van afvalwarmte en -koude, van verwarming of koeling uit hernieuwbare bronnen, of van verwarming of koeling uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling;
b) de van de derde leverancier afgenomen warmte of koude niet beantwoordt aan de technische parameters die nodig zijn voor de aansluiting en die een betrouwbare en veilige werking van het stadsverwarmings- en -koelingssysteem moeten waarborgen, of
c) de beheerder kan aantonen dat het verlenen van toegang zou leiden tot een te grote stijging van de kosten van warmte- of koude voor eindafnemers in vergelijking met de kosten voor het gebruik van de belangrijkste plaatselijke warmte- en koudevoorziening waarmee de hernieuwbare bron of de afvalwarmte of -koude zouden concurreren.
De lidstaten zorgen ervoor dat, als een beheerder van een stadsverwarmings- en -koelingssysteem weigert een leverancier van verwarming of koeling aan te sluiten op grond van de eerste alinea, die beheerder aan de bevoegde instantie overeenkomstig lid 9 informatie verstrekt over de redenen van de weigering, en over de voorwaarden en maatregelen die in het systeem moeten worden vastgesteld om de aansluiting mogelijk te maken.
6. Als de optie van lid 4, onder b), door een lidstaat wordt uitgeoefend, kan het de exploitanten van de volgende stadsverwarmings- en -koelingssystemen van de toepassing van de toepassing van dat punt vrijstellen:
a) efficiënte stadsverwarming en -koeling;
b) efficiënte stadsverwarming en -koeling die hoogrenderende warmtekrachtkoppeling benut;
c) stadsverwarming of -koeling die uiterlijk op 31 december 2025 efficiënte stadsverwarming en -koeling is op basis van een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd plan;
d) stadsverwarming en -koeling met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 20 MW.
7. Het recht om overeenkomstig lid 2 door beëindiging of wijziging van een overeenkomst te worden afgesloten kan worden uitgeoefend door individuele afnemers, gemeenschappelijke ondernemingen die zijn opgericht door afnemers of door partijen die namens afnemers optreden. In het geval van appartementsgebouwen kan een dergelijke afsluiting uitsluitend worden uitgevoerd op het niveau van het volledige gebouw, overeenkomstig de toepasselijke woningwetgeving.
8. De lidstaten vereisen dat beheerders van elektriciteitsdistributiesystemen ten minste om de vier jaar, in samenwerking met de beheerders van stadsverwarmings- en -koelingssystemen in hun respectieve gebieden, beoordelen wat het potentieel is voor stadsverwarmings- en -koelingssystemen om balanceringsdiensten en andere systeemgerelateerde diensten te verstrekken, met inbegrip van vraagrespons en opslag van overtollige, elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, en of het gebruik van het vastgestelde potentieel efficiënter met bronnen en kosten omgaat dan andere mogelijke oplossingen.
9. De lidstaten zorgen ervoor dat de rechten van consument en de regels voor het beheer van stadsverwarmings- en -koelingssystemen overeenkomstig dit artikel duidelijk zijn gedefinieerd en ten uitvoer worden gelegd door de bevoegde autoriteit.
10. Een lidstaat hoeft de leden 2 tot en met 9 van dit artikel niet toe te passen indien:
a) zijn aandeel stadsverwarming en -koeling op 24 december 2018 minder dan of gelijk aan 2 % van het totale energieverbruik in de verwarmings- en koelingssector bedraagt, of
b) zijn aandeel stadsverwarming en -koeling is verhoogd tot meer dan 2 % door de ontwikkeling van nieuwe efficiënte stadsverwarming en -koeling op basis van zijn geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan op grond van bijlage I bij Verordening (EU) 2018/1999 of de in artikel 15, lid 7, van deze richtlijn, bedoelde beoordeling, of
c) het aandeel in lid 6 van dit artikel bedoelde systemen meer dan 90 % bedraagt van de totale verkoop van zijn stadsverwarming en -koeling.