Art. 25 Richtlijn (EU) 2018/2001, Integratie van hernieuwbare energie in de vervoersector

Richtlijn (EU) 2018/2001

1. Om het gebruik van hernieuwbare energie in de vervoersector te integreren, legt elke lidstaat brandstofleveranciers de verplichting op ervoor te zorgen dat het aandeel hernieuwbare energie in het eindverbruik van energie in de vervoersector in 2030 ten minste 14 % bedraagt (minimumaandeel) in overeenstemming met een indicatieve koers die door de lidstaat wordt vastgesteld en volgens de in dit artikel en in artikelen 26 en 27 bepaalde methode wordt berekend. De Commissie beoordeelt deze verplichting, met het oog op de indiening van een wetgevingsvoorstel uiterlijk 2023 voor een verhoging indien er verdere aanzienlijke kostenbesparingen zijn in de productie van hernieuwbare energie, waar nodig, om te voldoen aan de internationale verplichtingen van de Unie voor het koolstofvrij maken of wanneer een aanzienlijke daling van het energieverbruik in de Unie dit rechtvaardigt.

De lidstaten kunnen bij de vaststelling van de verplichting voor brandstofleveranciers overgaan tot vrijstelling van, of een onderscheid maken tussen, verschillende brandstofleveranciers en verschillende energiedragers, waarbij zij ervoor zorgen dat rekening wordt gehouden met de verschillende mate van volwassenheid en de kosten van verschillende technologieën.

Voor de berekening van het in de eerste alinea bedoelde minimumaandeel:

a) nemen de lidstaten ook hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong in aanmerking wanneer deze worden gebruikt als tussenproduct voor de productie van conventionele brandstoffen, en

b) kunnen de lidstaten brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof in aanmerking nemen.

Binnen het in de eerste alinea bedoelde minimumaandeel dit totale aandeel is bedraagt de bijdrage van geavanceerde biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX, deel A, vermelde grondstoffen, als een aandeel van het eindverbruik van energie in de vervoerssector ten minste gelijk aan 0,2 % in 2022, ten minste 1 % in 2025 en stijgt ze tot ten minste 3,5 % in 2030.

De lidstaten kunnen brandstofleveranciers die brandstoffen in de vorm van elektriciteit of hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong leveren, vrijstellen van de eis om, met betrekking tot deze brandstoffen, het minimumaandeel te bereiken van energie uit geavanceerde biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX, deel A, vermelde grondstoffen.

Bij de vaststelling van de in de eerste en vierde alinea bedoelde verplichting kunnen de lidstaten, om te waarborgen dat het daarin vastgestelde aandeel wordt gehaald, onder andere maatregelen treffen met betrekking tot hoeveelheden, energie-inhoud of broeikasgasemissiereducties, mits wordt aangetoond dat de in de eerste en vierde alinea bedoelde minimumaandelen zijn behaald.

2. De broeikasgasemissiereducties ten gevolge van het gebruik van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong bedraagt vanaf 1 januari 2021 ten minste 70 %.

Uiterlijk op 1 januari 2021 wordt door de Commissie overeenkomstig artikel 35 een gedelegeerde handeling vastgesteld ter aanvulling van deze richtlijn door de vaststelling van de nodige minimumdrempels voor broeikasgasemissiereductie van brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof middels de levenscyclusbeoordeling, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van elke brandstof.

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen