Art. 12 Verordening (EU) 2017/2403, Het tijdelijk opnieuw toewijzen van onbenutte vangstmogelijkheden in het kader van PODV's

Verordening (EU) 2017/2403

1. Gedurende een bepaald jaar of een andere relevante uitvoeringsperiode van een protocol bij een PODV kan de Commissie, rekening houdend met de geldigheidsperioden van de vismachtigingen en met de visseizoenen, vaststellen dat er vangstmogelijkheden onbenut zijn gebleven en de lidstaten die over de overeenkomstige aandelen van de toewijzing beschikken, daarvan in kennis stellen.

2. Binnen tien kalenderdagen na ontvangst van deze informatie van de Commissie kunnen de in lid 1 bedoelde lidstaten:

a) de Commissie meedelen dat zij hun vangstmogelijkheden later in de relevante uitvoeringsperiode zullen gebruiken, door een visserijplan te verstrekken met gedetailleerde informatie over het aantal aangevraagde vismachtigingen, de geraamde vangsten, de visserijzone en de visserijperiode, of

b) de Commissie ervan in kennis stellen dat hun vangstmogelijkheden worden benut door middel van uitwisselingen van vangstmogelijkheden op grond van artikel 16, lid 8, van de basisverordening.

3. Indien bepaalde lidstaten de Commissie niet op de hoogte hebben gebracht van een van de in lid 2 bedoelde maatregelen of hebben meegedeeld dat hun vangstmogelijkheden slechts gedeeltelijk worden benut, en indien er als gevolg daarvan vangstmogelijkheden onbenut blijven, kan de Commissie een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling voor de beschikbare onbenutte vangstmogelijkheden bekendmaken onder de andere lidstaten die over een aandeel van de toewijzing beschikken. De Commissie brengt tezelfdertijd alle lidstaten op de hoogte van haar oproep tot het indienen van blijken van belangstelling.

4. Binnen tien kalenderdagen na ontvangst van de in lid 3 bedoelde oproep tot het indienen van blijken van belangstelling kunnen lidstaten die over een aandeel van de toewijzing beschikken, hun belangstelling voor de beschikbare onbenutte vangstmogelijkheden aan de Commissie kenbaar maken. Ter ondersteuning van hun verzoek verstrekken zij een visserijplan met gedetailleerde informatie over het aantal aangevraagde vismachtigingen, de geraamde vangsten, de visserijzone en de visserijperiode.

5. Indien dit nodig wordt geacht voor de beoordeling van het verzoek, kan de Commissie de betrokken lidstaten om aanvullende informatie vragen.

6. Indien de lidstaten die over een aandeel van de toewijzing beschikken geen belangstelling hebben voor alle beschikbare onbenutte vangstmogelijkheden, kan de Commissie, nadat de in lid 4 bedoelde periode van tien dagen is verstreken, de oproep tot het indienen van blijken van belangstelling openstellen voor alle lidstaten. Een lidstaat kan zijn belangstelling voor de onbenutte vangstmogelijkheden kenbaar maken onder de in dat lid bedoelde voorwaarden.

7. Op basis van de door de lidstaten overeenkomstig lid 4 of 6 van dit artikel verstrekte informatie wijst de Raad overeenkomstig artikel 43, lid 3, VWEU de onbenutte vangstmogelijkheden uitsluitend tijdelijk opnieuw toe voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde relevante periode.

De Commissie stelt de lidstaten in kennis van de lidstaten waaraan vangstmogelijkheden opnieuw werden toegewezen en van de opnieuw toegewezen hoeveelheden.

8. Het tijdelijk opnieuw toewijzen van vangstmogelijkheden geschiedt op basis van transparante en objectieve criteria, onder meer, indien van toepassing, ecologische en sociaal-economische criteria. Die criteria kunnen zijn:

a) de voor nieuwe toewijzing beschikbare vangstmogelijkheden;

b) het aantal verzoekende lidstaten;

c) het bij de initiële toewijzing van vangstmogelijkheden aan elke verzoekende lidstaat toegewezen aandeel;

d) in voorkomend geval, de historische vangst- en inspanningsniveaus van elke verzoekende lidstaat;

e) de haalbaarheid van de door de verzoekende lidstaten verstrekte visserijplannen, in het licht van het aantal, het type en de kenmerken van de vaartuigen en het gebruikte vistuig.

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen