Gerecht EU 29 september 2021, T-344/19, ECLI:EU:T:2021:640
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid)
29 september 2021 ( *1 )
„Externe betrekkingen – Internationale overeenkomsten – Euromediterrane Associatieovereenkomst EG-Marokko – Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Unie en Marokko – Protocol ter uitvoering van de Partnerschapsovereenkomst – Briefwisseling bij de Partnerschapsovereenkomst – Sluitingsbesluit – Verordening betreffende de verdeling van de vangstmogelijkheden onder de lidstaten – Beroep tot nietigverklaring – Ontvankelijkheid – Bekwaamheid om in rechte op te treden – Rechtstreeks geraakt – Individueel geraakt – Territoriale werkingssfeer – Bevoegdheid – Uitlegging van het volkenrecht door het Hof – Zelfbeschikkingsbeginsel – Beginsel van de relatieve werking van verdragen – Mogelijkheid om zich hierop te beroepen – Begrip instemming – Uitvoering – Beoordelingsbevoegdheid – Grenzen – Handhaving van de gevolgen van het bestreden besluit”
In de gevoegde zaken T‑344/19 en T‑356/19,
Front populaire pour la libération de la Saguia el-Hamra et du Rio de oro (Front Polisario), vertegenwoordigd door G. Devers, advocaat,
verzoeker,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door F. Naert, P. Plaza García en V. Piessevaux als gemachtigden,
verweerder,
ondersteund door:
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door S. Centeno Huerta als gemachtigde,
interveniënte in de zaken T‑344/19 en T‑356/19
door:
Franse Republiek, vertegenwoordigd door A.‑L. Desjonquères, C. Mosser, J.‑L. Carré en T. Stéhelin als gemachtigden,
interveniënte in de zaken T‑344/19 en T‑356/19
door:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Castillo de la Torre, A. Bouquet en A. Stobiecka-Kuik als gemachtigden,
interveniënte in de zaken T‑344/19 en T‑356/19
en door:
Chambre des pêches maritimes de la Méditerranée, gevestigd te Tanger (Marokko),
Chambre des pêches maritimes de l’Atlantique Nord, gevestigd te Casablanca (Marokko),
Chambre des pêches maritimes de l’Atlantique Centre, gevestigd te Agadir (Marokko),
Chambre des pêches maritimes de l’Atlantique Sud, gevestigd te Dakhla (Westelijke Sahara),
vertegenwoordigd door G. Forwood, N. Colin en A. Hublet, advocaten,
interveniënten in zaak T‑344/19
betreffende, in zaak T‑344/19, een verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van besluit (EU) 2019/441 van de Raad van 4 maart 2019 betreffende de sluiting van de Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko, het bijbehorende uitvoeringsprotocol en de briefwisseling bij de overeenkomst (PB 2019, L 77, blz. 4), en, in zaak T‑356/19, een verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van verordening (EU) 2019/440 van de Raad van 29 november 2018 betreffende de verdeling van de vangstmogelijkheden in het kader van de Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko en het bijbehorende uitvoeringsprotocol (PB 2019, L 77, blz. 1),
wijst
HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: M. J. Costeira, president, D. Gratsias (rapporteur), M. Kancheva, B. Berke en T. Perišin, rechters,
griffier: M. Marescaux, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 maart 2021,
het navolgende
Arrest
I. Voorgeschiedenis van het geding
A. Internationale context
1 De ontwikkeling van de internationale context met betrekking tot de kwestie van de Westelijke Sahara kan als volgt worden samengevat.
2 Op 14 december 1960 heeft de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (VN) resolutie 1514 (XV), met als titel „Verklaring over het verlenen van onafhankelijkheid aan koloniale landen en volken” aangenomen, waarin het met name heet dat „[a]lle volkeren [...] het recht op zelfbeschikking [hebben], op grond waarvan [zij] [...] hun politieke status in alle vrijheid [bepalen] en [...] vrijelijk hun economische, sociale en culturele ontwikkeling [nastreven]”, dat „[o]nmiddellijke maatregelen zullen worden genomen in trustgebieden, niet-zelfbesturende gebieden en alle andere gebieden die nog niet onafhankelijk zijn geworden, om alle bevoegdheden aan de volkeren van deze gebieden over te dragen, zonder enige voorwaarde of enig voorbehoud, in overeenstemming met hun wil en vrij uitgesproken wensen”, en dat „[a]lle Staten [...] de bepalingen van het Handvest van de Verenigde Naties [...] trouw en strikt [moeten] naleven op basis van gelijkheid, niet-inmenging in binnenlandse aangelegenheden van de Staten en met inachtneming van de soevereine rechten en territoriale integriteit van alle volkeren”.
3 De Westelijke Sahara is een gebied in het noordwesten van Afrika dat aan het einde van de negentiende eeuw een kolonie van het Koninkrijk Spanje werd en, ten tijde van resolutie 1514 (XV), een Spaanse provincie was geworden. In 1963 heeft de VN dit gebied op de „voorlopige lijst van gebieden die vallen onder de Verklaring over het verlenen van onafhankelijkheid aan koloniale landen en volken [resolutie 1514 (XV) van de Algemene Vergadering]” geplaatst als niet-zelfbesturend gebied waarover het Koninkrijk Spanje bestuur uitoefent in de zin van artikel 73 van het Handvest van de Verenigde Naties, ondertekend te San Francisco op 26 juni 1945. Tot op heden staat het nog steeds op de lijst van niet-zelfbesturende gebieden die door de secretaris-generaal van de VN is opgesteld op basis van de uit hoofde van artikel 73, onder e), van dat Handvest verstrekte gegevens.
4 Op 20 december 1966 heeft de Algemene Vergadering van de VN resolutie 2229 (XXI) betreffende de kwestie Ifni en de Spaanse Sahara aangenomen, waarin zij nogmaals heeft gewezen op het „onvervreemdbare recht van de bevolking van [...] de Spaanse Sahara op zelfbeschikking overeenkomstig resolutie 1514 (XV) van de Algemene Vergadering”, en het Koninkrijk Spanje, als besturende mogendheid, heeft verzocht om „zo spoedig mogelijk [...] de modaliteiten vast te stellen voor een onder auspiciën van de [VN] te houden referendum, teneinde de autochtone bevolking van het gebied in staat te stellen haar recht op zelfbeschikking vrijelijk uit te oefenen”.
5 Op 24 oktober 1970 heeft de Algemene Vergadering van de VN resolutie 2625 (XXV) aangenomen, waarbij zij de aan die resolutie gehechte tekst van de „Verklaring over volkenrechtelijke beginselen betreffende vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen staten overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties” heeft goedgekeurd. In die verklaring wordt met name „het beginsel van gelijke rechten en van zelfbeschikking voor volken”„plechtig afgekondigd”. Wat dat beginsel betreft, luidt die verklaring met name als volgt: „Ingevolge het beginsel van gelijke rechten en van zelfbeschikking voor volken, dat is neergelegd in het Handvest van de Verenigde Naties, hebben alle volken het recht om hun politieke status in alle vrijheid en zonder inmenging van buitenaf te bepalen en hun economische, sociale en culturele ontwikkeling na te streven en is iedere staat verplicht tot eerbiediging van dit recht in overeenstemming met de bepalingen van het Handvest. [...] Volken kunnen hun zelfbeschikkingsrecht uitoefenen door de oprichting van een soevereine en onafhankelijke staat, de vrije associatie of de integratie met een onafhankelijke staat en de verwerving van iedere andere politieke status waarvoor zij in alle vrijheid kiezen. [...] Het grondgebied van een kolonie of een ander niet-zelfbesturend gebied heeft krachtens het Handvest een eigen status, onderscheiden van die van het grondgebied van de staat die het bestuur hierover uitoefent; deze eigen en onderscheiden status krachtens het Handvest blijft voortbestaan zolang de bevolking van de kolonie of het niet-zelfbesturend gebied niet haar zelfbeschikkingsrecht uitoefent overeenkomstig het Handvest en, meer in bijzonder de doelstellingen en beginselen ervan.”
6 Het Front populaire pour la libération de la Saguia el-Hamra et du Rio de oro (Front Polisario) is een organisatie die op 10 mei 1973 is opgericht in de Westelijke Sahara. Het wordt in artikel 1 van zijn statuten omschreven als een „beweging voor nationale bevrijding” waarvan de leden „[strijden] voor de volledige onafhankelijkheid en het terugkrijgen door het Saharaanse volk van zijn soevereiniteit over het gehele grondgebied van de Arabische Democratische Republiek Sahara”.
7 Op 20 augustus 1974 heeft het Koninkrijk Spanje aan de VN medegedeeld dat het voornemens was om, onder auspiciën van laatstgenoemde, in de Westelijke Sahara een referendum te houden.
8 Op 13 december 1974 heeft de Algemene Vergadering van de VN resolutie 3292 (XXIX) aangenomen, waarbij zij met name het Internationaal Gerechtshof (hierna: „IGH”) heeft verzocht om advies over de volgende vragen: „I. Was de Westelijke Sahara (Rio de Oro en Sakiet El Hamra) niemandsland (terra nullius) op het moment van de kolonisatie ervan door Spanje? Indien de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord, II. Wat waren de juridische banden van dat gebied met het Koninkrijk Marokko en de Mauritaanse entiteit?”
9 Op 16 oktober 1975 heeft het IGH het advies uitgebracht (zie Westelijke Sahara, advies, ICJ Reports 1975, blz. 12; hierna: „advies over de Westelijke Sahara”). Het heeft in punt 162 van dat advies het volgende vastgesteld: „Uit de aan het Gerechtshof overgelegde stukken en inlichtingen blijkt dat er ten tijde van de Spaanse kolonisatie juridische loyaliteitsbanden bestonden tussen de sultan van Marokko en een aantal van de op het grondgebied van de Westelijke Sahara levende stammen. Tevens blijkt hieruit het bestaan van rechten, waaronder bepaalde rechten inzake het grondgebruik, die juridische banden vormden tussen de Mauritaanse entiteit, in de door het Gerechtshof begrepen betekenis, en het grondgebied van de Westelijke Sahara. Daarentegen komt het Gerechtshof tot de slotsom dat uit de overgelegde stukken en inlichtingen niet blijkt dat tussen de Westelijke Sahara, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko en de Mauritaanse entiteit, anderzijds, een soevereiniteitsrelatie bestond. Het Gerechtshof heeft dus niet het bestaan geconstateerd van juridische banden die gevolgen kunnen hebben voor de toepassing van resolutie 1514 (XV) [van de Algemene Vergadering van de VN] op de dekolonisatie van de Westelijke Sahara, in het bijzonder voor de toepassing van het beginsel van zelfbeschikking door de vrije en waarachtige uiting van de wil van de bevolking van het gebied.”
10 In punt 163 van het advies over de Westelijke Sahara heeft het IGH met name het volgende verklaard: „Wat vraag I betreft, [is het Gerechtshof van oordeel] dat de Westelijke Sahara (Rio de Oro en Sakiet El Hamra) geen niemandsland (terra nullius) was op het moment van de kolonisatie ervan door Spanje; [...] wat vraag II betreft, [...] dat het gebied met het Koninkrijk Marokko juridische banden had met de in punt 162 van het onderhavige advies vermelde kenmerken [en] dat het gebied met de Mauritaanse entiteit juridische banden had met de in punt 162 van het onderhavige advies vermelde kenmerken.”
11 In een toespraak op de dag waarop het advies over de Westelijke Sahara openbaar werd gemaakt, heeft de koning van Marokko verklaard dat „de hele wereld [had] erkend dat de [Westelijke] Sahara behoorde” tot het Koninkrijk Marokko en dat het aan dit Koninkrijk „[stond] om dit gebied vreedzaam weer in bezit te nemen”, waarbij hij een oproep deed om met dat doel een mars te houden.
12 Op 22 oktober 1975 heeft de Veiligheidsraad van de VN op verzoek van het Koninkrijk Spanje resolutie 377 (1975) aangenomen, waarbij „de secretaris-generaal [van de VN] [werd verzocht] onmiddellijk de betrokken partijen en belanghebbenden te raadplegen” en „laatstgenoemden [werden opgeroepen] zich terughoudend en gematigd op te stellen”. Op 2 november 1975 heeft de Veiligheidsraad resolutie 379 (1975) aangenomen, waarbij „alle betrokken partijen en belanghebbenden met aandrang [werden verzocht] om elk eenzijdig of ander optreden dat de spanningen in de regio nog zou kunnen doen toenemen, te vermijden” en „de secretaris-generaal [werd verzocht] zijn raadplegingen verder te zetten en te intensiveren”. Op 6 november 1975, naar aanleiding van de start van de door de koning van Marokko aangekondigde mars, waaraan 350000 mensen hebben deelgenomen, en de overschrijding door die mensen van de grens tussen het Koninkrijk Marokko en de Westelijke Sahara, heeft de Veiligheidsraad resolutie 380 (1975) aangenomen, waarbij met name „het doorgaan van [die] mars [werd betreurd]” en „het [Koninkrijk] Marokko [werd opgeroepen] om alle deelnemers aan [die] mars onmiddellijk uit het gebied van de Westelijke Sahara terug te trekken”.
13 Op 26 februari 1976 heeft het Koninkrijk Spanje de secretaris-generaal van de VN ervan in kennis gesteld zijn aanwezigheid in de Westelijke Sahara met ingang van die dag te beëindigen en zich voortaan ontslagen te achten van elke volkenrechtelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van het bestuur van dat gebied. In de in punt 3 hierboven bedoelde lijst van niet-zelfbesturende gebieden wordt met betrekking tot de Westelijke Sahara verwezen naar die verklaring, welke wordt weergegeven in een voetnoot.
14 Ondertussen was in die regio een gewapend conflict uitgebroken tussen het Koninkrijk Marokko, de Islamitische Republiek Mauritanië en het Front Polisario. Een deel van de bevolking van de Westelijke Sahara is gevlucht voor dat conflict en heeft zijn toevlucht gevonden in op Algerijns grondgebied gelegen kampen in de nabijheid van de grens met de Westelijke Sahara.
15 Op 14 april 1976 heeft het Koninkrijk Marokko met de Islamitische Republiek Mauritanië een verdrag gesloten inzake de verdeling van het grondgebied van de Westelijke Sahara en het bij dit verdrag aan voornoemd Koninkrijk toegewezen grondgebied geannexeerd. Op 10 augustus 1979 heeft de Islamitische Republiek Mauritanië een vredesverdrag gesloten met het Front Polisario, volgens hetwelk zij afstand deed van alle territoriale aanspraken op de Westelijke Sahara. Daarop heeft het Koninkrijk Marokko de controle over het door de Mauritaanse strijdkrachten ontruimde gebied overgenomen en dit gebied geannexeerd.
16 Op 21 november 1979 heeft de Algemene Vergadering van de VN resolutie 34/37 over de kwestie van de Westelijke Sahara aangenomen, waarbij zij „opnieuw het onvervreemdbare recht [benadrukte] op zelfbeschikking en onafhankelijkheid van het volk van de Westelijke Sahara, in overeenstemming met het Handvest van de [VN] [...] en de doelstellingen van haar resolutie 1514 (XV)”, „ten zeerste de verslechtering van de situatie [betreurde] die het gevolg [was] van de aanhoudende bezetting van de Westelijke Sahara door Marokko”, „het Koninkrijk Marokko met aandrang [verzocht] om zelf ook bij te dragen aan het vredesproces en een einde te maken aan de bezetting van het grondgebied van de Westelijke Sahara” en „hiertoe in overweging [gaf] het [Front Polisario] als vertegenwoordiger van de Sahrawi, volledig te betrekken bij het zoeken naar een definitieve, rechtvaardige en duurzame oplossing van het vraagstuk van de Westelijke Sahara, in overeenstemming met de resoluties en verklaringen van de [VN]”. Na die resolutie volgde resolutie 35/19 van 11 november 1980, waarbij de Algemene Vergadering in punt 10 ervan „Marokko en het [Front Polisario] als vertegenwoordiger van de Sahrawi [...] met aandrang [heeft verzocht] onmiddellijke onderhandelingen op te starten om tot een definitieve regeling te komen voor het vraagstuk van de Westelijke Sahara”.
17 Het conflict tussen het Koninkrijk Marokko en het Front Polisario bleef voortduren, totdat de twee partijen op 30 augustus 1988 in beginsel instemden met de voorstellen voor een regeling, die onder meer afkomstig waren van de secretaris-generaal van de VN en met name voorzagen in een staakt-het-vuren en de organisatie van een referendum over zelfbeschikking onder toezicht van de VN.
18 Op 27 juni 1990 heeft de Veiligheidsraad van de VN resolutie 658 (1990) aangenomen, waarbij hij „zijn goedkeuring heeft gehecht aan het rapport van de secretaris-generaal [van de VN] dat [...] de [in punt 17 hierboven bedoelde] voorstellen voor een regeling bevat en een uiteenzetting van het plan [voor de uitvoering ervan]” en „de twee partijen [heeft verzocht] om met de secretaris-generaal [van de VN] en de zittende president van de Conferentie van staatshoofden en regeringsleiders van de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid ten volle samen te werken in het kader van de inspanningen die zij leveren om voor het vraagstuk van de Westelijke Sahara tot een snelle regeling te komen”. Op 29 april 1991 heeft de Veiligheidsraad resolutie 690 (1991) aangenomen, waarbij de missie van de VN voor het referendum in Westelijke Sahara (Minurso) is opgericht.
19 Op 6 december 1995 heeft de Algemene Vergadering van de VN resolutie 50/33 aangenomen, met als titel „Activiteiten van economische en andere buitenlandse belangen die in de weg staan aan de toepassing van de Verklaring over het verlenen van onafhankelijkheid aan koloniale landen en volken in gebieden onder koloniale heerschappij”, waarbij zij met name „het onvervreemdbare recht van volken van koloniale gebieden of niet-zelfbesturende gebieden op zelfbeschikking, onafhankelijkheid en het genot van de natuurlijke rijkdommen op hun grondgebied [opnieuw bevestigde], alsook hun recht om, hun eigen belang indachtig, zo goed mogelijk over die rijkdommen te beschikken”, „het nut [onderstreepte] van buitenlandse economische investeringen die worden gedaan in samenwerking met de bevolking van de niet-zelfbesturende gebieden en in overeenstemming met hun wensen om op een waardevolle manier bij te dragen aan de sociaal-economische ontwikkeling van de gebieden”, „[opnieuw verklaarde] dat de integriteit en de welvaart van die gebieden in gevaar wordt gebracht door de schadelijk exploitatie en plundering van de mariene en andere natuurlijke rijkdommen van de koloniale of niet-zelfbesturende gebieden, in strijd met de toepasselijke resoluties van de [VN], door buitenlandse economische belangen” en „alle regeringen en alle VN-instanties [verzocht] erop toe te zien dat de permanente soevereiniteit van de bevolkingsgroepen van koloniale of niet-zelfbesturende gebieden over hun natuurlijke rijkdommen ten volle wordt geëerbiedigd en gewaarborgd”.
20 Tot op heden zijn de partijen, ondanks de onder auspiciën van de VN georganiseerde contacten en raadplegingen, niet tot een regeling kunnen komen voor de situatie in de Westelijke Sahara. Het Koninkrijk Marokko controleert het grootste deel van het grondgebied van de Westelijke Sahara en het Front Polisario het andere deel, waarbij de twee delen worden gescheiden door een zandmuur die is gebouwd en wordt gesurveilleerd door het Marokkaanse leger. Een aanzienlijk aantal uit dat gebied afkomstige vluchtelingen leeft nog steeds in op Algerijns grondgebied gelegen kampen die door het Front Polisario worden beheerd.
B. Associatieovereenkomst en Visserijovereenkomst van 2006
1. Associatieovereenkomst
21 De Euromediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (PB 2000, L 70, blz. 2; hierna: „Associatieovereenkomst”), die is ondertekend te Brussel op 26 februari 1996, is in werking getreden op 1 maart 2000.
22 Artikel 1, lid 1, van de Associatieovereenkomst luidt als volgt: „Er wordt een associatie tot stand gebracht tussen de Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Marokko, anderzijds.”
23 In artikel 94 van de Associatieovereenkomst wordt het volgende bepaald: „Deze overeenkomst is van toepassing op het grondgebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal van toepassing zijn, overeenkomstig de bepalingen van genoemde Verdragen, enerzijds, en op het grondgebied van Marokko, anderzijds.”
24 In het kader van de Associatieovereenkomst en op grond van artikel 16 ervan hebben de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko op 13 december 2010 te Brussel de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling betreffende liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer van landbouwproducten, verwerkte landbouwproducten, vis en visserijproducten, inzake de vervanging van de Protocollen nrs. 1, 2 en 3 en de bijlagen daarbij, en houdende wijziging van de Euromediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (PB 2012, L 241, blz. 4; hierna: „Liberaliseringsovereenkomst”) ondertekend. Op 8 maart 2012 heeft de Raad van de Europese Unie besluit 2012/497/EU vastgesteld inzake de sluiting van de Liberaliseringsovereenkomst (PB 2012, L 241, blz. 2).
2. Visserijovereenkomst van 2006
25 Op 22 mei 2006 heeft de Raad verordening (EG) nr. 764/2006 betreffende de sluiting van een Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko (PB 2006, L 141, blz. 1) vastgesteld. Artikel 1 van die verordening luidde als volgt: „De Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko wordt namens de Gemeenschap goedgekeurd.”
26 Zoals uit de preambule en de artikelen 1 en 3 ervan voortvloeide, had de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko (hierna: „Visserijovereenkomst van 2006”) tot doel de door de Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko aangeknoopte samenwerkingsbetrekkingen, met name in het kader van de Associatieovereenkomst, te intensiveren door inzake visserij een partnerschap tot stand te brengen met het oog op de bevordering van een verantwoorde visserij in de Marokkaanse visserijzones en de doeltreffende uitvoering van het Marokkaans visserijbeleid. Daartoe stelde die overeenkomst met name regels vast met betrekking tot de economische, financiële, technische en wetenschappelijke samenwerking tussen de partijen, de voorwaarden voor de toegang van vaartuigen die de vlag van de lidstaten voeren tot de Marokkaanse visserijzones en de regelingen inzake het toezicht op de visserijactiviteiten in die zones.
27 In artikel 11 van de Visserijovereenkomst van 2006 was bepaald dat zij, wat het Koninkrijk Marokko betreft, van toepassing was „op het grondgebied van Marokko en de wateren onder Marokkaanse jurisdictie”. In artikel 2, onder a), van die overeenkomst werd voorts gepreciseerd dat het begrip „Marokkaanse visserijzone” voor de toepassing van die overeenkomst, het daaraan gehechte protocol en de bijlage erbij moest worden opgevat als een verwijzing naar „de wateren waarover het Koninkrijk Marokko de soevereiniteit of de jurisdictie bezit”.
28 Overeenkomstig artikel 17 ervan is de Visserijovereenkomst van 2006 in werking getreden op 28 februari 2007 (PB 2007, L 78, blz. 31).
29 Het protocol dat oorspronkelijk aan de Visserijovereenkomst van 2006 was gehecht, is vervangen door een ander protocol dat in 2013 op zijn beurt is vervangen door een nieuw protocol, dat op 18 november 2013 te Brussel is ondertekend, namens de Unie is goedgekeurd bij besluit 2013/785/EU van de Raad van 16 december 2013 betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko overeengekomen Protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko (PB 2013, L 349, blz. 1), en op 15 juli 2014 in werking is getreden (PB 2014, L 228, blz. 1; hierna: „Protocol van 2013”).
30 Volgens artikel 1 van het Protocol van 2013 „[droeg het] bij aan de realisatie van de algemene doelstellingen van de Associatieovereenkomst en [was het] erop gericht de leefbaarheid van de visbestanden op ecologisch, economisch en sociaal gebied te waarborgen”.
C. Gedingen in verband met de Associatieovereenkomst
1. Zaken T‑512/12 en C‑104/16 P
31 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 november 2012 en ingeschreven onder nummer T‑512/12, heeft verzoeker, het Front Polisario, beroep ingesteld tot nietigverklaring van besluit 2012/497 (arrest van 21 december 2016, Raad/Front Polisario, C‑104/16 P, EU:C:2016:973, punt 38; hierna: „arrest Raad/Front Polisario”).
32 Ter ondersteuning van zijn beroep in die zaak had verzoeker met name aangevoerd dat de Raad op een aantal punten niet had voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van het volkenrecht door bij besluit 2012/497 de toepassing goed te keuren van de Liberaliseringsovereenkomst op het grondgebied van de Westelijke Sahara (arrest Raad/Front Polisario, punt 44).
33 Bij arrest van 10 december 2015, Front Polisario/Raad (T‑512/12, EU:T:2015:953), heeft het Gerecht besluit 2012/497 nietig verklaard voor zover daarbij de toepassing van de Liberaliseringsovereenkomst op de Westelijke Sahara werd goedgekeurd. De grond voor deze nietigverklaring was dat de Raad zijn verplichting om vóór de vaststelling van besluit 2012/497 alle gegevens van het geval te onderzoeken niet was nagekomen doordat hij niet was nagegaan of de exploitatie van de uit dat gebied afkomstige en naar de Europese Unie uitgevoerde producten niet plaatsvond ten nadele van de bevolking van het betrokken gebied en geen inbreuk maakte op de grondrechten van de betrokken personen (arrest Raad/Front Polisario, punten 47 en 48).
34 Op 19 februari 2016 heeft de Raad hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van 10 december 2015, Front Polisario/Raad (T‑512/12, EU:T:2015:953).
35 Bij het arrest Raad/Front Polisario heeft het Hof, uitspraak doend op de hogere voorziening van de Raad, het arrest van 10 december 2015, Front Polisario/Raad (T‑512/12, EU:T:2015:953), vernietigd en verzoekers beroep bij het Gerecht niet-ontvankelijk verklaard.
36 Dienaangaande heeft het Hof ten eerste het tweede middel van de hogere voorziening aanvaard, dat was ontleend aan de onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht bij de analyse van verzoekers procesbevoegdheid blijk had gegeven, en heeft het meer bepaald de grief aanvaard die was ontleend aan het feit dat het Gerecht ten onrechte had geoordeeld dat de Liberaliseringsovereenkomst van toepassing was op de Westelijke Sahara (arrest Raad/Front Polisario, punt 126).
37 In de eerste plaats heeft het Hof immers geoordeeld dat de Westelijke Sahara – een niet-zelfbesturend gebied in de zin van artikel 73 van het Handvest van de VN – ingevolge het zelfbeschikkingsbeginsel, dat in de betrekkingen tussen de Unie en het Koninkrijk Marokko van toepassing is, een eigen en onderscheiden status geniet ten aanzien van die van elke staat, met inbegrip van die van het Koninkrijk Marokko. Het Hof is op basis daarvan tot de slotsom gekomen dat de woorden „grondgebied van Marokko” in artikel 94 van de Associatieovereenkomst niet aldus kunnen worden uitgelegd dat de territoriale werkingssfeer van die overeenkomst de Westelijke Sahara omvat (arrest Raad/Front Polisario, punten 86‑93).
38 In de tweede plaats was het Hof van oordeel dat eveneens rekening moet worden gehouden met de in artikel 29 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 (United Nations Treaty Series, deel 1155, blz. 331; hierna: „Verdrag van Wenen”), neergelegde gewoonteregel, die bepaalt dat, tenzij een andere bedoeling uit het verdrag blijkt of op een andere wijze is komen vast te staan, een verdrag elke partij ten opzichte van haar gehele grondgebied bindt. Het is tot de slotsom gekomen dat ook die gewoonteregel eraan in de weg staat dat de Westelijke Sahara zou worden geacht te vallen binnen de werkingssfeer van de Associatieovereenkomst. Het heeft vastgesteld dat uit die gewoonteregel evenwel ook voortvloeit dat een verdrag bij wijze van uitzondering een staat kan binden ten aanzien van een ander gebied indien een dergelijke bedoeling blijkt uit dat verdrag of anderszins is aangetoond (arrest Raad/Front Polisario, punten 94‑98).
39 In de derde plaats heeft het Hof geoordeeld dat eveneens rekening moet worden gehouden met het algemeen volkenrechtelijk beginsel van de relatieve werking van verdragen aangezien het volk van de Westelijke Sahara, als „derde” ten aanzien van de Associatieovereenkomst in de zin van dat beginsel, door de uitvoering van die overeenkomst kan worden geraakt wanneer de werkingssfeer ervan het grondgebied van de Westelijke Sahara zou omvatten, en met een dergelijke uitvoering moet instemmen. Het Hof is op grond van het feit dat op geen enkele manier aan een dergelijke instemming uiting was gegeven, tot de slotsom gekomen dat de vaststelling dat de werkingssfeer van de Associatieovereenkomst het grondgebied van de Westelijke Sahara omvat, indruist tegen het beginsel van de relatieve werking van verdragen (arrest Raad/Front Polisario, punten 100‑107).
40 In de vierde plaats heeft het Hof uit de vaststelling dat de Liberaliseringsovereenkomst als een aan de Associatieovereenkomst ondergeschikte overeenkomst moet worden beschouwd, afgeleid dat de Liberaliseringsovereenkomst niet in die zin kan worden opgevat dat zij van toepassing is op het grondgebied van de Westelijke Sahara, zodat daarin geen bepaling hoefde te worden opgenomen die deze toepassing uitsloot. Volgens het Hof kan de door de Raad en de Europese Commissie na de sluiting van de Associatieovereenkomst gehanteerde praktijk niet afdoen aan die analyse, aangezien anders zou moeten worden aangenomen dat de Unie het voornemen had de Associatieovereenkomst en de Liberaliseringsovereenkomst in dier voege uit te voeren dat inbreuk werd gemaakt op het zelfbeschikkingsbeginsel en het beginsel van de relatieve werking van verdragen, en dus op een wijze die onverenigbaar zou zijn met het beginsel dat verdragen te goeder trouw moeten worden uitgevoerd (arrest Raad/Front Polisario, punten 110‑125).
41 Ten tweede heeft het Hof de zaak zelf afgedaan. Het Hof heeft met name geoordeeld dat aangezien de Liberaliseringsovereenkomst volgens de ter zake dienende regels van het volkenrecht die van toepassing zijn in de betrekkingen tussen de Unie en het Koninkrijk Marokko aldus moet worden uitgelegd dat zij niet van toepassing is op het grondgebied van de Westelijke Sahara, verzoeker, gelet op diens argumenten, hoe dan ook moest worden geacht niet bevoegd te zijn om een beroep tot nietigverklaring van besluit 2012/497 in te stellen, zonder dat de overige door de Raad en de Commissie aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid behoefden te worden onderzocht (arrest Raad/Front Polisario, punten 128‑134).
2. Zaak C‑266/16
42 Bij beslissing van 27 april 2016 heeft de High Court of Justice (England & Wales), Queen’s Bench Division (Administrative Court) [hogere rechterlijke instantie van Engeland en Wales, afdeling van de Queen’s Bench (bestuursrechter), Verenigd Koninkrijk] het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over vragen omtrent de geldigheid van de Visserijovereenkomst van 2006, zoals goedgekeurd en uitgevoerd bij verordening nr. 764/2006, bij besluit 2013/785 en bij verordening (EU) nr. 1270/2013 van de Raad van 15 november 2013 betreffende de verdeling van de vangstmogelijkheden krachtens het tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko overeengekomen Protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko (PB 2013, L 328, blz. 40) (arrest van 27 februari 2018, Western Sahara Campaign UK, C‑266/16, EU:C:2018:118, punt 1; hierna: „arrest Western Sahara Campaign UK”).
43 Met zijn eerste prejudiciële vraag wenste de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de omstandigheid dat de natuurlijke rijkdommen uit de aan het grondgebied van de Westelijke Sahara grenzende wateren op grond van de Visserijovereenkomst van 2006 en het Protocol van 2013 mochten worden geëxploiteerd, met zich meebracht dat verordening nr. 764/2006, besluit 2013/785 en verordening nr. 1270/2013 ongeldig waren uit het oogpunt van artikel 3, lid 5, VEU. Met zijn tweede prejudiciële vraag vroeg diezelfde verwijzende rechter zich in wezen af of een rechtzoekende die naar nationaal recht procesbevoegdheid bezit, zoals de verzoekende partij in het hoofdgeding, de geldigheid van de handelingen betreffende het sluiten en uitvoeren van die overeenkomst en dat protocol kan betwisten op grond dat de Unie het volkenrecht heeft geschonden (arrest Western Sahara Campaign UK, punten 41, 54 en 86).
44 Dienaangaande heeft het Hof in de eerste plaats er in punt 59 van het arrest Western Sahara Campaign UK op gewezen dat uit de eerste alinea van de preambule van de Visserijovereenkomst van 2006 bleek dat die overeenkomst concrete invulling gaf aan het gemeenschappelijke verlangen van de Unie en het Koninkrijk Marokko om de nauwe samenwerkingsbetrekkingen te intensiveren die zij met name in het kader van de Associatieovereenkomst waren aangegaan en dat de Visserijovereenkomst van 2006 dan ook paste in een verdragencomplex dat in het kader van de Associatieovereenkomst tot stand was gekomen. Het Hof was van oordeel dat het begrip „grondgebied van Marokko” in artikel 11 van de Visserijovereenkomst van 2006, gelet op het bestaan van dit verdragencomplex, op dezelfde manier moest worden begrepen als het begrip „grondgebied van [het Koninkrijk] Marokko” in artikel 94 van de Associatieovereenkomst (arrest Western Sahara Campaign UK, punt 61).
45 Het Hof heeft evenwel in herinnering gebracht, zoals het in het arrest Raad/Front Polisario had opgemerkt, dat het begrip „grondgebied van [het Koninkrijk] Marokko” moet worden opgevat als een verwijzing naar het geografische gebied waarop het Koninkrijk Marokko de bevoegdheden waarover soevereine entiteiten krachtens het volkenrecht beschikken, in volle omvang uitoefent, met uitsluiting van elk ander gebied, zoals dat van de Westelijke Sahara, en dat indien dat gebied binnen werkingssfeer van de Associatieovereenkomst zou vallen, inbreuk zou worden gemaakt op het zelfbeschikkingsbeginselen en het beginsel van de relatieve werking van verdragen, die van toepassing zijn in de betrekkingen tussen de Unie en het Koninkrijk Marokko. Het is op basis daarvan tot de slotsom gekomen dat het grondgebied van de Westelijke Sahara niet viel onder het begrip „grondgebied van Marokko” in de zin van artikel 11 van de Visserijovereenkomst van 2006 (arrest Western Sahara Campaign UK, punten 62‑64).
46 In de tweede plaats heeft het Hof er voor de uitlegging van de uitdrukking „wateren waarover het Koninkrijk Marokko de soevereiniteit of de jurisdictie bezit” op gewezen dat uit artikel 2, lid 1, en de artikelen 55 en 56 van het op 10 december 1982 te Montego Bay ondertekende Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (hierna: „Zeerechtverdrag”) voortvloeit dat de wateren waarover de kuststaat krachtens het Zeerechtverdrag soevereiniteit of jurisdictie mag uitoefenen, zich enkel uitstrekken tot de wateren die aan zijn grondgebied grenzen en die behoren tot zijn territoriale zee of tot zijn exclusieve economische zone (EEZ). Gelet op het feit dat het grondgebied van de Westelijke Sahara geen deel uitmaakt van het grondgebied van het Koninkrijk Marokko, is het Hof tot de slotsom gekomen dat de wateren die grenzen aan het grondgebied van de Westelijke Sahara dan ook niet behoren tot de in artikel 2, onder a), van de Visserijovereenkomst van 2006 bedoelde Marokkaanse visserijzone (arrest Western Sahara Campaign UK, punten 65‑69).
47 In de derde plaats heeft het Hof erop gewezen dat het in strijd zou zijn met het zelfbeschikkingsbeginsel en het beginsel van de relatieve werking van verdragen, indien de wateren die rechtstreeks aan de kust van het grondgebied van de Westelijke Sahara grenzen, als „wateren waarover het Koninkrijk Marokko de soevereiniteit [...] bezit” in de zin van artikel 2, onder a), van de Visserijovereenkomst van 2006 onder het toepassingsgebied van die overeenkomst werden gebracht (arrest Western Sahara Campaign UK, punt 71).
48 Wat in de vierde plaats de in artikel 2, onder a), van de Visserijovereenkomst van 2006 gebezigde uitdrukking „wateren waarover het Koninkrijk Marokko [...] de jurisdictie bezit” betreft, heeft het Hof erop gewezen dat de Raad en de Commissie onder meer in overweging hadden genomen dat het Koninkrijk Marokko kon worden aangemerkt als een het grondgebied van de Westelijke Sahara „de facto besturende mogendheid” of bezettende mogendheid, en dat die kwalificatie relevant zou kunnen zijn voor de vaststelling van het toepassingsgebied van de Visserijovereenkomst van 2006. Het Hof heeft evenwel opgemerkt dat – zonder dat hoefde te worden onderzocht of een eventuele gemeenschappelijke bedoeling van de partijen bij de Visserijovereenkomst van 2006 om aan die uitdrukking een bijzondere betekenis toe te kennen teneinde rekening te houden met die omstandigheden, zou hebben gestrookt met de volkenrechtelijke regels die de Unie binden – een dergelijke gemeenschappelijke bedoeling in het onderhavige geval hoe dan ook niet kon worden vastgesteld aangezien het Koninkrijk Marokko categorisch had uitgesloten dat het een het grondgebied van de Westelijke Sahara bezettende mogendheid of besturende mogendheid was (arrest Western Sahara Campaign UK, punt 72).
49 Wat in de vijfde plaats de territoriale werkingssfeer van het Protocol van 2013 betreft, heeft het Hof vastgesteld dat de uitdrukking „Marokkaanse visserijzone” wordt gebezigd in zowel de Visserijovereenkomst van 2006 als het Protocol van 2013, waarvan zij de territoriale werkingssfeer bepaalt. Het heeft geoordeeld dat die uitdrukking moest worden opgevat als een verwijzing naar de wateren waarover het Koninkrijk Marokko de soevereiniteit of de jurisdictie bezit en dat zij zich derhalve niet uitstrekt tot de wateren die grenzen aan het grondgebied van de Westelijke Sahara (arrest Western Sahara Campaign UK, punten 75‑79).
50 In de zesde plaats heeft het Hof vastgesteld dat de in de bepalingen van het Protocol van 2013 bedoelde geografische coördinaten van de basislijnen en van de visserijzone van het Koninkrijk Marokko pas waren meegedeeld op 16 juli 2014. Uit het feit dat het Protocol van 2013 in werking is getreden op 15 juli 2014 heeft het Hof afgeleid dat die geografische coördinaten geen deel uitmaken van de tekst van dat protocol zoals partijen die zijn overeengekomen. Volgens het Hof zouden die geografische coördinaten, zelfs inzien zij waren meegedeeld vóór de inwerkingtreding van het Protocol van 2013, hoe dan ook op geen enkele wijze hebben kunnen afdoen aan de in punt 79 van zijn arrest gegeven uitlegging van de uitdrukking „Marokkaanse visserijzone” en evenmin het toepassingsgebied van dat protocol hebben kunnen uitstrekken tot de wateren die aan het grondgebied van de Westelijke Sahara grenzen (arrest Western Sahara Campaign UK, punten 80‑82).
51 Het Hof heeft dan ook op de eerste prejudiciële vraag geantwoord dat aangezien noch de Visserijovereenkomst van 2006 noch het Protocol van 2013 van toepassing was op de wateren die grenzen aan het grondgebied van de Westelijke Sahara, bij het onderzoek van die vraag niet was gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de handelingen betreffende het sluiten van die overeenkomsten aantasten uit het oogpunt van artikel 3, lid 5, VEU. Gelet op dat antwoord op de eerste vraag, was het Hof van oordeel dat de tweede prejudiciële vraag niet hoefde te worden beantwoord (arrest Western Sahara Campaign UK, punten 85 en 87).
3. Beschikkingen in de zaken T‑180/14, T‑275/18, T‑376/18
52 Bij beschikkingen van 19 juli 2018, Front Polisario/Raad (T‑180/14, niet gepubliceerd, EU:T:2018:496), 30 november 2018, Front Polisario/Raad (T‑275/18, niet gepubliceerd, EU:T:2018:869), en 8 februari 2019, Front Polisario/Raad (T‑376/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:77), heeft het Gerecht de beroepen die verzoeker had ingesteld tegen handelingen van de Raad voor het sluiten of wijzigen van verschillende tussen de Unie en het Koninkrijk Marokko gesloten internationale overeenkomsten niet-ontvankelijk verklaard.
53 In de in punt 52 hierboven aangehaalde eerste twee beschikkingen heeft het Gerecht zich op de arresten Raad/Front Polisario en Western Sahara Campaign UK gebaseerd om met name vast te stellen dat verzoeker niet procesbevoegd was op grond dat de litigieuze overeenkomsten niet op de Westelijke Sahara of de aangrenzende wateren van toepassing waren (beschikkingen van 19 juli 2018, Front Polisario/Raad, T‑180/14, niet gepubliceerd, EU:T:2018:496, punten 69‑71, en 30 november 2018, Front Polisario/Raad, T‑275/18, niet gepubliceerd, EU:T:2018:869, punten 41 en 42).
54 Bij de in punt 52 hierboven aangehaalde derde beschikking was het Gerecht van oordeel dat het door de Raad op 16 april 2018 vastgestelde besluit houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen met het Koninkrijk Marokko voor het wijzigen van de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko en het sluiten van een protocol ter uitvoering van die overeenkomst, overeenkomstig artikel 218, leden 3 en 4, VWEU slechts tot doel had de onderhandelaar of het hoofd van het onderhandelingsteam van de Unie aan te wijzen en aan hen richtsnoeren te geven. Het betreft dus een handeling die slechts rechtsgevolgen sorteert in de betrekkingen tussen de Unie en haar lidstaten en tussen de instellingen van de Unie. Het Gerecht is op basis daarvan tot de slotsom gekomen dat dit besluit geen gevolgen had voor verzoekers rechtspositie en laatstgenoemde dus niet kon worden geacht er rechtstreeks door te worden geraakt (beschikking van 8 februari 2019, Front Polisario/Raad, T‑376/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:77, punten 28 en 29).
D. Bestreden besluit en litigieuze overeenkomst
55 Na het arrest Western Sahara Campaign UK heeft de Raad de Commissie bij besluit van 16 april 2018 gemachtigd onderhandelingen met het Koninkrijk Marokko aan te knopen met het oog op het wijzigen van de Visserijovereenkomst van 2006 om met name de wateren die aan het grondgebied van de Westelijke Sahara grenzen, binnen het toepassingsgebied van die overeenkomst te brengen.
56 Op 24 juli 2018 zijn aan het einde van die onderhandelingen een nieuwe Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Unie en het Koninkrijk Marokko, een nieuw protocol ter uitvoering van die overeenkomst, met inbegrip van de bijlage bij en de aanhangsels van dat protocol, en de briefwisseling bij de betrokken overeenkomst geparafeerd.
57 Op 14 januari 2019 zijn de Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko (hierna: „Visserijovereenkomst”), het bijbehorende uitvoeringsprotocol (hierna: „uitvoeringsprotocol”) en de briefwisseling bij die overeenkomst (hierna: „briefwisseling”) (hierna gezamenlijk „litigieuze overeenkomst” genoemd) door de Unie en het Koninkrijk Marokko ondertekend te Brussel.
58 Op 4 maart 2019 heeft de Raad besluit (EU) 2019/441 betreffende de sluiting van de Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko, het bijbehorende uitvoeringsprotocol en de briefwisseling bij de overeenkomst (PB 2019, L 77, blz. 4; hierna: „bestreden besluit”) vastgesteld. Artikel 1, eerste alinea, van dat besluit bepaalt: „De [Visserijovereenkomst], het [...] uitvoeringsprotocol en de briefwisseling [...] worden namens de Unie goedgekeurd”.
59 Overeenkomstig artikel 17 van de Visserijovereenkomst zijn die overeenkomst, het uitvoeringsprotocol en de briefwisseling in werking getreden op 18 juli 2019 (PB 2019, L 195, blz. 1).
60 In de overwegingen 3 tot en met 5 en 7 tot en met 12 van het bestreden besluit wijst de Raad op het volgende: „(3) In zijn arrest in zaak C‑266/16 heeft het Hof, als antwoord op een prejudiciële vraag over de geldigheid en de uitlegging van de overeenkomst en het bijbehorende uitvoeringsprotocol, geoordeeld dat noch de overeenkomst noch het bijbehorende uitvoeringsprotocol van toepassing is op de wateren die grenzen aan het grondgebied van de Westelijke Sahara. (4) De Unie loopt niet vooruit op de afloop van het door de Verenigde Naties geleide politieke proces inzake de uiteindelijke status van de Westelijke Sahara en blijft zich uitspreken voor een oplossing voor het geschil in de Westelijke Sahara, dat momenteel door de Verenigde Naties op de lijst van niet-zelfbesturende gebieden is geplaatst en vandaag de dag grotendeels door het Koninkrijk Marokko wordt bestuurd. Zij staat volledig achter de inspanningen van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en zijn persoonlijke gezant om de partijen te helpen tot een rechtvaardige, duurzame en wederzijds aanvaardbare politieke oplossing te komen, die recht doet aan het zelfbeschikkingsrecht van de bevolking van de Westelijke Sahara in het kader van regelingen die in overeenstemming zijn met de doelen en beginselen in het Handvest van de Verenigde Naties, zoals geformuleerd in de resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties [...]. (5) Het is van belang dat de vloten van de Unie de visserijactiviteiten die zij sinds de inwerkingtreding van de overeenkomst verrichten, kunnen voortzetten en dat het toepassingsgebied van de overeenkomst wordt vastgesteld teneinde daarin de aan het grondgebied van de Westelijke Sahara grenzende wateren op te nemen. De voortzetting van de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij is bovendien essentieel opdat dit gebied voordeel kan blijven halen uit de sectorale steun die in het kader van de overeenkomst wordt geboden volgens het Unierecht en het internationaal recht, met inbegrip van de mensenrechten, en ten bate van de betrokken bevolking. [...] (7) De Visserijovereenkomst heeft tot doel het voor de Unie en het Koninkrijk Marokko mogelijk te maken om nauwer samen te werken met het oog op de bevordering van een duurzaam visserijbeleid en een verantwoorde exploitatie van de visbestanden in de in de visserijovereenkomst afgebakende visserijzone, en het Koninkrijk Marokko ondersteuning te bieden bij zijn inspanningen om de visserijsector en een blauwe economie te ontwikkelen. De overeenkomst draagt op die manier bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen die de Unie in het kader van artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie nastreeft. (8) De Commissie heeft een beoordeling verricht van de mogelijke gevolgen van de Visserijovereenkomst voor de duurzame ontwikkeling, met name wat betreft de voordelen voor de betrokken bevolking en de exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen in de betrokken gebieden. (9) In lijn met deze beoordeling wordt ervan uitgegaan dat de Visserijovereenkomst de betrokken bevolking zeer ten goede zal komen wegens de positieve sociaal-economische effecten op die bevolking, met name op het gebied van werkgelegenheid en investeringen, en wegens de impact ervan op de ontwikkeling van de visserijsector en de visverwerkende sector. (10) Ook zou de Visserijovereenkomst de beste garantie zijn dat de natuurlijke hulpbronnen in de aan de Westelijke Sahara grenzende wateren op duurzame wijze worden geëxploiteerd, aangezien de visserijactiviteiten stroken met de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen en aanbevelingen ter zake en onderworpen zijn aan passende maatregelen op het gebied van monitoring en controle. (11) Gelet op de overwegingen in het arrest van het Hof van Justitie heeft de Commissie, in samenwerking met de Europese Dienst voor extern optreden, in de huidige context alle redelijke en haalbare maatregelen genomen om de betrokken bevolking op passende wijze bij de procedure te betrekken teneinde zich van hun instemming te vergewissen. Uitgebreide raadplegingen hebben plaatsgevonden in de Westelijke Sahara en in het Koninkrijk Marokko, en de sociaal-economische en politieke actoren die aan de raadplegingen hebben deelgenomen, waren duidelijk voorstander van het sluiten van de Visserijovereenkomst. Het [Front Polisario] en enkele andere partijen wensten echter niet deel te nemen aan de raadplegingsprocedure. (12) Diegenen die niet wensten deel te nemen aan de procedure, hebben de toepassing van de Visserijovereenkomst en het bijbehorende uitvoeringsprotocol op de aan de Westelijke Sahara grenzende wateren afgewezen, omdat zij in essentie vinden dat deze handelingen de positie van het Koninkrijk Marokko in de Westelijke Sahara zou bekrachtigen. Noch uit de bewoordingen van deze visserijovereenkomst noch uit die van het bijbehorende uitvoeringsprotocol kan echter in enig opzicht worden afgeleid dat daarmee de soevereiniteit of de soevereine rechten van het Koninkrijk Marokko over de Westelijke Sahara en de aangrenzende wateren worden erkend. Bovendien zal de Unie met nog grotere inspanningen het proces blijven steunen dat onder leiding van de Verenigde Naties is begonnen en wordt voortgezet om tot een vreedzame oplossing van het geschil te komen.”
61 Overeenkomstig artikel 1, onder h), van de Visserijovereenkomst dient „visserijzone” voor de toepassing van die overeenkomst te worden opgevat als „de wateren van het centraal-oostelijke deel van de Atlantische Oceaan die zich bevinden tussen 35°47′18″ NB en 20°46′13″ NB, met inbegrip van de wateren die grenzen aan de Westelijke Sahara, waarbij alle beheersgebieden worden bestreken”. Ook wordt er gepreciseerd dat „deze definitie [...] geen invloed [heeft] op eventuele onderhandelingen over de afbakening van de maritieme gebieden van de kuststaten die aan de visserijzone grenzen, en in het algemeen op de rechten van derde landen”.
62 Artikel 6, lid 1, van de Visserijovereenkomst luidt als volgt: „Tenzij anders bepaald in deze overeenkomst, leven vaartuigen van de Unie die in de visserijzone actief zijn, met het oog op de waarborging van een regelgevingskader voor duurzame visserij, de Marokkaanse wet- en regelgeving na die van toepassing is op visserijactiviteiten in die zone [...]”.
63 In artikel 12, leden 1 tot en met 4 van de Visserijovereenkomst wordt het volgende bepaald: „1. De financiële tegenprestatie is in het protocol vastgesteld. 2. De in lid 1 bedoelde financiële tegenprestatie omvat: a) een door de Unie toegekende financiële compensatie voor de toegang van de vaartuigen van de Unie tot de visserijzone; b) de rechten die de reders van de vaartuigen van de Unie moeten betalen; c) de sectorale steun van de Unie voor de uitvoering van een duurzaam visserijbeleid en de governance van de oceanen in het kader van een jaarlijkse en meerjarige programmering. 3. De door de Unie toegekende financiële tegenprestatie wordt elk jaar betaald overeenkomstig het protocol. 4. De partijen onderzoeken de billijke geografische en sociale spreiding van de sociaal-economische voordelen die deze overeenkomst biedt, met name wat betreft infrastructuur, sociale basisvoorzieningen, oprichting van bedrijven, beroepsopleiding, en projecten voor ontwikkeling en modernisering van de visserijsector, teneinde zich ervan te vergewissen dat die spreiding de betrokken bevolkingsgroepen evenredig met de visserijactiviteiten ten goede komt.”
64 In artikel 13, lid 1, van de Visserijovereenkomst is het volgende bepaald: „Er wordt een gemengde commissie opgericht die is samengesteld uit vertegenwoordigers van de partijen. Deze commissie is verantwoordelijk voor de monitoring van de toepassing van deze overeenkomst en kan wijzigingen van het protocol vaststellen.”
65 Artikel 14 van de Visserijovereenkomst luidt als volgt: „Deze overeenkomst is van toepassing op het grondgebied waar het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing is, enerzijds, en waar de in artikel 6, lid 1, van deze overeenkomst bedoelde wet- en regelgeving van toepassing is, anderzijds.”
66 Artikel 16 van de Visserijovereenkomst bepaalt: „Het [uitvoeringsprotocol] en de briefwisseling [...] vormen een integrerend deel van deze overeenkomst [...].”
67 In artikel 6, leden 1 en 2, van het uitvoeringsprotocol is het volgende bepaald: „1. Voor de in artikel 12, lid 2, onder a), van de Visserijovereenkomst bedoelde financiële compensatie en de in artikel 12, lid 2, onder b), van de Visserijovereenkomst bedoelde rechten geldt overeenkomstig artikel 12, lid 4, van de Visserijovereenkomst een billijke geografische en sociale spreiding van de sociaal-economische voordelen die ervoor zorgt dat de betrokken bevolkingsgroepen er voordeel uit halen. 2. Uiterlijk drie maanden na de datum van toepassing van dit protocol dienen de autoriteiten van het Koninkrijk Marokko de methode in die de in lid 1 bedoelde geografische en sociale spreiding waarborgt, alsook de verdeelsleutel voor de toegewezen bedragen, die in de gemengde commissie moet worden onderzocht.”
68 In artikel 7, leden 1 en 2, van het uitvoeringsprotocol staat het volgende te lezen: „1. De in artikel 12, lid 2, onder c), van de Visserijovereenkomst bedoelde sectorale steun draagt bij aan de ontwikkeling en de uitvoering van het sectorale beleid in het kader van de nationale ontwikkelingsstrategie voor de visserijsector. 2. De gemengde commissie stelt uiterlijk drie maanden na de datum van toepassing van dit protocol een meerjarig sectoraal programma, met nadere uitvoeringsbepalingen, vast waarin de volgende elementen zijn opgenomen: a) de jaarlijkse en meerjarige richtsnoeren betreffende het gebruik van het specifieke bedrag van de sectorale steun overeenkomstig artikel 12, lid 4, van de Visserijovereenkomst; [...]”
69 De in aanhangsel 2 van het uitvoeringsprotocol opgenomen technische notities voor de visserij nrs. 3 tot en met 6 vermelden als zuidelijke grens van het overeenkomstige beheersgebied breedtegraad 20°46′13″. De technische notitie voor de visserij nr. 6, betreffende de industriële pelagische visserij met pelagische of semipelagische trawls en met de ringzegen, verwijst naar koelvaartuigen (trawlers en vaartuigen voor de zegenvisserij) die aanlanden in de haven van Dakhla.
70 In de tweede alinea van de briefwisseling staat het volgende te lezen: „Na afloop van de onderhandelingen zijn de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko het volgende overeengekomen: 1. Wat de kwestie van de Westelijke Sahara betreft, bevestigen de partijen opnieuw hun steun aan het proces van de Verenigde Naties en staan zij achter de inspanningen van de secretaris-generaal om tot een definitieve politieke oplossing te komen die in overeenstemming is met de beginselen en doelstellingen van het Handvest van de Verenigde Naties en gebaseerd is op de resoluties van de Veiligheidsraad. 2. De Visserijovereenkomst wordt gesloten onverminderd de respectieve standpunten: – voor de Europese Unie, over de status van het niet-autonome grondgebied van de Westelijke Sahara, waarvan de aangrenzende wateren onder de in artikel 1, onder h), van de Visserijovereenkomst omschreven visserijzone vallen, en over het zelfbeschikkingsrecht van het gebied, waarbij de verwijzing in de Visserijovereenkomst naar de Marokkaanse wet- en regelgeving niet vooruitloopt op haar standpunt; – voor het Koninkrijk Marokko is de Sahara-regio een onlosmakelijk deel van zijn nationale grondgebied, waarop het, net als op de rest van het nationale grondgebied, zijn volledige soevereiniteit uitoefent. Het Koninkrijk Marokko is van oordeel dat elke oplossing voor dit regionale geschil op zijn autonomie-initiatief moet zijn gebaseerd.”
E. Bestreden verordening
71 Op 29 november 2018 heeft de Raad verordening (EU) 2019/440 betreffende de verdeling van de vangstmogelijkheden in het kader van de Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko en het bijbehorende uitvoeringsprotocol (PB 2019, L 77, blz. 1; hierna: „bestreden verordening”) vastgesteld. Overeenkomstig artikel 2 ervan is die verordening in werking getreden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, die gelijktijdig met de bekendmaking van het bestreden besluit op 20 maart 2019 heeft plaatsgevonden.
72 In artikel 1, lid 1, van de bestreden verordening worden de op grond van het uitvoeringsprotocol vastgestelde vangstmogelijkheden als volgt verdeeld over de lidstaten: Visserijcategorie Vaartuigtype Lidstaat Vergunningen of quota Ambachtelijke pelagische visserij noord Zegenvisserijvaartuigen < 150 brutotonnage (BT) Spanje 22 Ambachtelijke visserij noord Vaartuigen voor de visserij met de grondbeug < 40 BT Spanje 25 Portugal 7 Vaartuigen voor de visserij met de grondbeug ≥ 40 BT < 150 BT Portugal 3 Ambachtelijke visserij zuid Lijn en hengel < 150 BT per vaartuig Totaal ≤ 800 BT Spanje 10 Demersale visserij Vaartuigen voor de visserij met de grondbeug ≤ 150 BT Spanje 7 Portugal 4 Trawlers ≤ 750 BT Totaal ≤ 3 000 BT Spanje 5 Italië 0 Tonijnvisserij Vaartuigen voor de tonijnvisserij met de hengel Spanje 23 Frankrijk 4 Industriële pelagische visserij 85 000 ton (t) in het eerste jaar 90 000 ton in het tweede jaar 100 000 ton in het derde en in het vierde jaar Indeling van de vaartuigen die mogen vissen: 10 vaartuigen ≥ 3 000 BT en < 7 765 BT 4 vaartuigen ≥ 150 BT en < 3 000 BT 4 vaartuigen < 150 BT Eerste jaar: 85 000 t Duitsland 6 871,2 t Litouwen 21 986,3 t Letland 12 367,5 t Nederland 26 102,4 t Ierland 3 099,3 t Polen 4 807,8 t Verenigd Koninkrijk 4 807,8 t Spanje 496,2 t Portugal 1 652,2 t Frankrijk 2 809,3 t Tweede jaar: 90 000 t Duitsland 7 275,4 t Litouwen 23 279,6 t Letland 13 095,0 t Nederland 27 637,9 t Ierland 3 281,6 t Polen 5 090,6 t Verenigd Koninkrijk 5 090,6 t Spanje 525,4 t Portugal 1 749,4 t Frankrijk 2 974,5 t Derde en vierde jaar: 100 000 t Duitsland 8 083,8 t Litouwen 25 866,3 t Letland 14 550,0 t Nederland 30 708,8 t Ierland 3 646,3 t Polen 5 656,3 t Verenigd Koninkrijk 5 656,3 t Spanje 583,8 t Portugal 1 943,8 t Frankrijk 3 305,0 t
II. Procedure en conclusies van partijen
73 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 10 en 12 juni 2019, heeft verzoeker de onderhavige beroepen ingesteld, die zijn ingeschreven onder nummer T‑344/19 en nummer T‑356/19.
74 De Raad heeft verweerschriften neergelegd op respectievelijk 19 september 2019 (zaak T‑344/19) en 20 september 2019 (zaak T‑356/19).
75 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers is de rechter-rapporteur bij beslissing van 16 oktober 2019 overeenkomstig artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht toegevoegd aan de Negende kamer van het Gerecht, waaraan de onderhavige zaken dan ook zijn toegewezen.
76 Op 8 november 2019 heeft verzoeker de repliek in zaak T‑344/19 ingediend. In zaak T‑356/19 heeft hij geen repliek ingediend binnen de gestelde termijn.
77 Bij beslissingen van 13 november 2019 heeft de president van de Negende kamer van het Gerecht het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek en de Commissie in de twee zaken toegelaten tot interventie aan de zijde van de Raad.
78 Bij beschikking van 10 december 2019, Front Polisario/Raad (T‑344/19, niet gepubliceerd, EU:T:2019:862), is de president van de Negende kamer ingegaan op het verzoek om toelating tot interventie aan de zijde van de Raad in zaak T‑344/19 van de Marokkaanse zeevisserijkamers, te weten de Chambre des pêches maritimes de la Méditerranée, de Chambre des pêches maritimes de l’Atlantique Nord, de Chambre des pêches maritimes de l’Atlantique Centre en de Chambre des pêches maritimes de l’Atlantique Sud (hierna gezamenlijk: „CPMM”).
79 Op 8 januari 2020 heeft de Commissie haar memories in interventie ingediend. Het Koninkrijk Spanje en de Franse Republiek hebben die van hen ingediend op 9 januari 2020.
80 Op 9 januari 2020 heeft de Raad de dupliek in zaak T‑344/19 ingediend.
81 Op 4 maart 2020 hebben de CPMM hun memorie in interventie in zaak T‑344/19 ingediend.
82 Op 9 maart 2020 heeft verzoeker zijn opmerkingen ingediend over de memories in interventie van het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek en de Commissie in zaak T‑344/19 en daarnaast over die van het Koninkrijk Spanje en de Franse Republiek in zaak T‑356/19. Op 20 juni 2020 heeft hij zijn opmerkingen ingediend over de memorie in interventie van de CPMM in zaak T‑344/19.
83 In zaak T‑356/19 is binnen de gestelde termijnen geen enkel verzoek ingediend om een pleitzitting te houden. In zaak T‑344/19 heeft verzoeker op 22 september 2020 verzocht om een pleitzitting te houden.
84 Op 23 november 2020 heeft het Gerecht, op voorstel van de Negende kamer, overeenkomstig artikel 28 van het Reglement voor de procesvoering beslist om de zaken te verwijzen naar een uitgebreide rechterlijke formatie.
85 Op 9 december 2020 heeft het Gerecht op grond van artikel 106, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering beslist om de mondelinge behandeling te openen. Voorts heeft het partijen uitgenodigd standpunt in te nemen omtrent de voeging van de zaken voor de mondelinge behandeling en het eindarrest.
86 In zaak T‑344/19 heeft het Gerecht bij twee maatregelen tot organisatie van de procesgang van 18 december 2020, ten eerste, schriftelijk te beantwoorden vragen aan partijen voorgelegd en verzoeker, de Raad en de Commissie verzocht aanvullende inlichtingen te verstrekken en, ten tweede, partijen uitgenodigd om ter terechtzitting hun standpunt te verduidelijken over bepaalde principiële kwesties die voor het geding in die zaak van belang zijn.
87 Op 25 januari 2021 hebben verzoeker, de Raad en de Commissie hun schriftelijke antwoorden op de vragen van het Gerecht ingediend en de gevraagde inlichtingen verstrekt. De hoofdpartijen hebben hun opmerkingen omtrent de voeging van de zaken ingediend op 25 januari 2021.
88 Bij beslissing van 28 januari 2021 heeft de president van de uitgebreide Negende kamer van het Gerecht de zaken gevoegd voor de mondelinge behandeling en het eindarrest.
89 Op 25 februari 2021 heeft verzoeker op basis van artikel 85, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering nieuwe bewijsaanbiedingen overgelegd. De Commissie heeft haar opmerkingen hieromtrent ingediend op 12 maart 2021, terwijl de Raad en de CPMM die van hen hebben ingediend op 15 maart 2021.
90 De pleitzitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2021. Tijdens die zitting heeft het Gerecht het Koninkrijk Spanje en de Commissie verzocht een aantal feitelijke elementen schriftelijk toe te lichten.
91 Op 9 maart 2021 heeft de Commissie het Gerecht verzocht om, ingeval het bestreden besluit nietig wordt verklaard, op grond van artikel 264, tweede alinea VWEU de gevolgen ervan te handhaven tot een latere datum of, in geval van hogere voorziening, totdat het Hof zijn arrest ter zake heeft gewezen.
92 Het Koninkrijk Spanje en de Commissie hebben respectievelijk op 10 en 12 maart 2021 geantwoord op het verzoek van het Gerecht om nadere toelichting van de feiten. Verzoeker van zijn kant heeft uit eigen beweging in antwoord op dat verzoek nieuwe elementen ingediend op 12 maart 2021. Het Koninkrijk Spanje en de Commissie hebben opmerkingen over die elementen ingediend op 25 maart 2021, terwijl de Raad en de CPMM hun opmerkingen ter zake hebben ingediend op respectievelijk 29 maart en 2 april 2021. Voorts hebben het Koninkrijk Spanje en de Raad op respectievelijk 25 en 29 maart 2021 opmerkingen ingediend over het in punt 91 hierboven vermelde verzoek van de Commissie, terwijl verzoeker en de Franse Republiek hun eigen opmerkingen over dat verzoek hebben ingediend op 2 april 2021. De sluiting van de mondelinge behandeling is uitgesproken op 9 april 2021 en daarop zijn de zaken in beraad gebracht.
93 Na het overlijden van rechter Berke op 1 augustus 2021 hebben de drie rechters die het onderhavige arrest ondertekenen, de beraadslagingen voortgezet overeenkomstig artikel 22 en artikel 24, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering.
94 Verzoeker verzoekt het Gerecht: – in zaak T‑344/19, het bestreden besluit nietig te verklaren; – in zaak T‑356/19, voor het geval het Gerecht oordeelt dat de bestreden verordening een tussenmaatregel vormt waardoor hij niet rechtstreeks door het bestreden besluit kan worden geraakt, deze verordening nietig te verklaren; – de Raad en interveniënten te verwijzen in de kosten.
95 De Raad verzoekt het Gerecht: – de beroepen te verwerpen; – verzoeker te verwijzen in de kosten.
96 Het Koninkrijk Spanje verzoekt het Gerecht: – de beroepen te verwerpen; – uitspraak te doen over de kosten.
97 De Franse Republiek verzoekt het Gerecht de beroepen te verwerpen.
98 De Commissie verklaart dat zij de conclusies van de Raad ondersteunt. Voorts verzoekt zij het Gerecht in zaak T‑344/19 om, ingeval het bestreden besluit nietig wordt verklaard, de gevolgen ervan te handhaven tot een latere datum of, in geval van hogere voorziening, totdat het Hof zijn arrest ter zake heeft gewezen.
99 In zaak T‑344/19 verzoeken de CPMM het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoeker te verwijzen in de kosten.
III. In rechte
A. Beroep in zaak T‑344/19
100 Met zijn beroep in zaak T‑344/19 vordert verzoeker, die stelt te handelen „namens het Saharaanse volk”, nietigverklaring van het bestreden besluit op grond, kort samengevat, dat de Raad door de litigieuze overeenkomst goed te keuren zonder de instemming van dat volk, de verplichtingen niet is nagekomen die uit hoofde van het Unierecht en het volkenrecht rusten op de Unie in het kader van haar betrekkingen met het Koninkrijk Marokko. Verzoeker betoogt namelijk dat die overeenkomst van toepassing is op de Westelijke Sahara en de aangrenzende wateren, voorziet in de exploitatie van de natuurlijke rijkdommen ervan door de vissersvaartuigen van de Unie en het beleid van annexatie van dat gebied door dat derde land in de hand werkt. Verzoeker stelt meer bepaald dat het sluiten van die overeenkomst niet in overeenstemming is met de rechtspraak van het Hof in de arresten Raad/Front Polisario en Western Sahara Campaign UK, volgens welke een dergelijke territoriale toepassing uitgesloten is.
101 Zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, voert de Raad, ondersteund door het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Commissie en de CPMM, primair twee middelen van niet-ontvankelijkheid van het onderhavige beroep aan, waarvan het ene is ontleend aan verzoekers gebrek aan bekwaamheid om voor de rechterlijke instanties van de Unie in rechte op te treden en het andere aan verzoekers gebrek aan bevoegdheid om op te komen tegen het bestreden besluit. De Raad, ondersteund door de Franse Republiek, de Commissie en de CPMM stelt in het kader van die middelen van niet-ontvankelijkheid met name de omvang en de exclusiviteit van de rol die verzoeker ten aanzien van het volk van de Westelijke Sahara claimt, ter discussie. De CPMM van hun kant trekken bovendien de geldigheid van de door verzoeker aan zijn advocaat verleende volmacht in twijfel. Subsidiair concluderen de Raad, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Commissie en de CPMM tot ongegrondverklaring van verzoekers argumentatie. Kort samengevat betoogt de Raad, ondersteund door het Koninkrijk Spanje en de Franse Republiek, met name dat hij door de Visserijovereenkomst goed te keuren zich heeft gevoegd naar de rechtspraak van het Hof. De Commissie en de CPMM van hun kant zijn het weliswaar eens met die argumentatie, maar stellen zich op het standpunt dat die rechtspraak voor de beoordeling van het beroep hoe dan ook niet ter zake dienend is aangezien zij ziet op de uitlegging van die tussen de Unie en het Koninkrijk Marokko gesloten overeenkomsten, en niet op de geldigheid ervan. De Raad, de Franse Republiek, de Commissie en de CPMM zijn voorts van mening dat de volkenrechtelijke beginselen waarop verzoeker zijn argumentatie baseert, niet kunnen worden aangevoerd.
102 Om te beginnen dient er ten eerste op te worden gewezen dat het onderhavige beroep strekt tot nietigverklaring van het bestreden besluit, voor zover met dat besluit de Visserijovereenkomst, het uitvoeringsprotocol en de briefwisseling is gesloten, waarbij de twee laatstgenoemde instrumenten een integrerend deel van die overeenkomst vormen overeenkomstig artikel 16 ervan.
103 Ten tweede spreekt het Gerecht zich in zijn arrest van heden, Front Polisario/Raad (T‑279/19), uit op een beroep van verzoeker dat strekt tot nietigverklaring van besluit (EU) 2019/217 van de Raad van 28 januari 2019 betreffende de sluiting van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko over de wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 van de Euromediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (PB 2019, L 34, blz. 1). Zoals uit de motivering van dat arrest blijkt, berusten in zaak T‑279/19 de middelen van het beroep en de middelen van niet-ontvankelijkheid van de Raad, de verwerende partij, die wordt ondersteund door met name de Franse Republiek en de Commissie, grotendeels op dezelfde juridische grondslagen en dezelfde argumentatie als de middelen en de middelen van niet-ontvankelijkheid die in casu worden aangevoerd. Daarom zal het Gerecht die middelen zo nodig onderzoeken in het licht van de overwegingen van dat arrest.
1. Ontvankelijkheid van bepaalde bijlagen bij de repliek
104 In de dupliek betwist de Raad krachtens artikel 85 van het Reglement voor de procesvoering de ontvankelijkheid van de bijlagen C.1 tot en met C.3, C.5, C.6, C.8, C.9, C.12, C.14, C.15, C.17, C.21, C.22, C.24 tot en met C.40 en C.42 tot en met C.53, op grond dat de vertraging waarmee die bewijsstukken zijn overgelegd, niet wordt gerechtvaardigd. Dienaangaande dient eraan te worden herinnerd dat de hoofdpartijen volgens artikel 85, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in de repliek en in de dupliek nog bewijs kunnen overleggen of aanbieden hun stellingen nader te bewijzen, mits de vertraging waarmee dit geschiedt, wordt gerechtvaardigd. Die bepalingen dienen evenwel te worden gelezen in samenhang met artikel 92, lid 7, van dat Reglement, waarin uitdrukkelijk wordt bepaald dat het tegenbewijs vrijstaat en dat nadere bewijsaanbiedingen zijn toegelaten. Zoals uit vaste rechtspraak voortvloeit, is de vervalregel van voornoemd artikel 85, lid 2, dus niet van toepassing op het tegenbewijs en nadere bewijsaanbiedingen na tegenbewijs door de tegenpartij (zie arrest van 18 september 2017, Uganda Commercial Impex/Raad, T‑107/15 en T‑347/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:628, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
105 In casu kan worden volstaan met de opmerking dat de bewijselementen in de door de Raad betwiste bijlagen, zoals blijkt uit de delen van de repliek die ernaar verwijzen, een antwoord bieden op de argumenten waarmee de Raad in zijn verweerschrift ten eerste aanvoert dat de door de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) gehouden raadplegingen met het oog op het verkrijgen van de instemming van het volk van de Westelijke Sahara geldig zijn en, ten tweede, dat verzoeker niet bekwaam is om in rechte op te treden en niet procesbevoegd is. De vervalregel van artikel 85, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering vindt dus geen toepassing op die bewijselementen, welke dan ook ontvankelijk zijn. Hieruit volgt dat het middel van niet-ontvankelijkheid dat de Raad dienaangaande heeft opgeworpen, moet worden afgewezen.
2. Ontvankelijkheid van het beroep
106 Alvorens de middelen van niet-ontvankelijkheid van de Raad en de door de CPMM geuite twijfels te onderzoeken, dient erop te worden gewezen dat het voorwerp van het onderhavige beroep andere ontvankelijkheidskwesties oproept waarover het Gerecht zich ambtshalve dient uit te spreken. Die kwesties houden ten eerste verband met het uitgangspunt waarop verzoeker zijn procesbevoegdheid baseert, namelijk dat de territoriale werkingssfeer van de litigieuze overeenkomst de Westelijke Sahara en de eraan grenzende wateren omvat en ten tweede met de strekking van zijn conclusies tot nietigverklaring van het bestreden besluit.
a) Territoriale werkingssfeer van de litigieuze overeenkomst
107 Uit de in het verzoekschrift aangevoerde middelen en argumenten blijkt dat het onderhavige beroep berust op het uitgangspunt dat de litigieuze overeenkomst van toepassing is op de Westelijke Sahara en de aangrenzende wateren. Wat de ontvankelijkheid van het beroep betreft, baseert verzoeker zich met name op de gestelde omstandigheid dat hij als vertegenwoordiger van het volk van de Westelijke Sahara door het bestreden besluit rechtstreeks en individueel wordt geraakt vanwege deze territoriale toepassing van die overeenkomst.
108 Vooraf dient dus te worden nagegaan of het uitgangspunt waarop verzoeker zijn bevoegdheid baseert om tegen het bestreden besluit op te komen, juist is.
109 In dat verband dient er in de eerste plaats op te worden gewezen dat volgens de bewoordingen van artikel 1, onder h), van de Visserijovereenkomst de visserijzone voor de toepassing van die overeenkomst ziet op de „wateren van het centraal-oostelijke deel van de Atlantische Oceaan die zich bevinden tussen 35°47′18″ NB en 20°46′13″ NB, met inbegrip van de wateren die grenzen aan de Westelijke Sahara”, onverminderd de rechten van derde landen, met name van de kuststaten die aan die visserijzone grenzen (zie punt 61 hierboven).
110 Voorts wordt, zoals in punt 69 hierboven is aangegeven, in de in aanhangsel 2 van het uitvoeringsprotocol opgenomen technische notities voor de visserij nrs. 3 tot en met 6 breedtegraad 20°46′13″ vermeld als zuidelijke grens van het beheersgebied waarop die notities betrekking hebben, en wordt in de technische notitie voor de visserij nr. 6 verwezen naar vaartuigen die aanlanden in de haven van Dakhla, die is gelegen in de Westelijke Sahara.
111 Uit de bewoordingen van die bepalingen kan worden afgeleid dat de daarin vermelde geografische coördinaten zowel de wateren waarover het Koninkrijk Marokko de soevereiniteit of de jurisdictie bezit als de wateren die aan de Westelijke Sahara grenzen omvatten. Dit blijkt ook uit de kaarten die zijn weergegeven in punt 66 van de conclusie van advocaat-generaal Wathelet in zaak Western Sahara Campaign UK (C‑266/16, EU:C:2018:1) en uit de punten 66 tot en met 69 van die conclusie. De Commissie heeft in een schriftelijk antwoord op een vraag van het Gerecht bevestigd dat de afbakening van de visserijzones op die kaarten grotendeels overeenkomt met de grenzen van de beheersgebieden als bedoeld in de in punt 110 hierboven vermelde technische notities.
112 In de tweede plaats dient erop te worden gewezen dat artikel 12 van de Visserijovereenkomst ten eerste voorziet in de betaling van een „financiële tegenprestatie”, die volgens lid 2 van dat artikel onder meer „de sectorale steun van de Unie” omvat en, ten tweede, krachtens lid 4 ervan partijen bij die overeenkomst verplicht om „de billijke geografische en sociale spreiding van de sociaal-economische voordelen die deze overeenkomst biedt” te onderzoeken, „teneinde zich ervan te vergewissen dat die spreiding de betrokken bevolkingsgroepen evenredig met de visserijactiviteiten ten goede komt” (zie punt 63 hierboven).
113 De in punt 112 hierboven in herinnering gebrachte bepalingen worden nader uitgewerkt door de artikelen 6 en 7 van het uitvoeringsprotocol. Artikel 6, lid 2, van dat protocol bepaalt met name dat de autoriteiten van het Koninkrijk Marokko de methode indienen die de geografische en sociale spreiding van de betrokken sociaal-economische voordelen waarborgt, alsook de verdeelsleutel voor de toegewezen bedragen, die in de bij artikel 13 van de Visserijovereenkomst opgerichte gemengde commissie moet worden onderzocht. Voorts bepaalt artikel 7, lid 2, van het protocol dat die gemengde commissie uiterlijk drie maanden na de datum van toepassing van dat protocol een meerjarig sectoraal programma, met nadere uitvoeringsbepalingen, vaststelt.
114 In de derde plaats is de Visserijovereenkomst overeenkomstig artikel 14 ervan, met als opschrift „Toepassingsgebied”, van toepassing op het grondgebied waar het VEU en het VWEU van toepassing zijn, enerzijds, en waar „de in artikel 6, lid 1, van deze overeenkomst bedoelde wet- en regelgeving”, oftewel volgens laatstgenoemd artikel de op de visserijactiviteiten toepasselijke Marokkaanse wet- en regelgeving, van toepassing is, anderzijds (zie de punten 62 en 65 hierboven).
115 In de vierde plaats wordt in de tweede alinea, punt 1, van de briefwisseling gepreciseerd dat, „[w]at de kwestie van de Westelijke Sahara betreft”, de Unie en het Koninkrijk Marokko „opnieuw hun steun [bevestigen] aan het proces van de Verenigde Naties”. In de tweede alinea, punt 2, van de briefwisseling wordt erop gewezen dat „[d]e Visserijovereenkomst wordt gesloten onverminderd [hun] respectieve standpunten”, „voor de [...] Unie, over de status van het niet-autonome grondgebied van de Westelijke Sahara” en, „voor het Koninkrijk Marokko, [over] de Sahara-regio [als] onlosmakelijk deel van zijn nationale grondgebied, waarop het [...] zijn volledige soevereiniteit uitoefent” (zie punt 70 hierboven).
116 In de vijfde plaats blijkt uitdrukkelijk uit de overwegingen 3 en 5 van het bestreden besluit (zie punt 60 hierboven) dat de sluiting van de litigieuze overeenkomst na de uitspraak van het arrest Western Sahara Campaign UK, waarbij „het Hof [heeft] geoordeeld dat noch de [Visserijovereenkomst van 2006] noch het [Protocol van 2013] van toepassing [was] op de wateren die grenzen aan het grondgebied van de Westelijke Sahara”, beoogt ervoor te zorgen dat de „vloten van de Unie de visserijactiviteiten die zij [...] verrichten, kunnen voortzetten”, de genoemde wateren „[in het toepassingsgebied van de overeenkomst] op te nemen” en „dat gebied” via de „voortzetting van de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij” in staat te stellen „voordeel [te] blijven halen uit de sectorale steun die in het kader van de overeenkomst wordt geboden volgens het Unierecht en het internationaal recht, met inbegrip van de mensenrechten, en ten bate van de betrokken bevolking”.
117 Derhalve vloeit uit de bepalingen van de litigieuze overeenkomst in haar geheel en uit de overwegingen van het bestreden besluit uitdrukkelijk voort dat die overeenkomst tot doel heeft, zoals ook blijkt uit de bedoeling van de partijen bij die overeenkomst, de vissersvloten van de Unie in staat te stellen hun visserijactiviteiten uit te oefenen binnen een perimeter die zowel de wateren waarover het Koninkrijk Marokko de soevereiniteit of de jurisdictie bezit als de wateren die aan de Westelijke Sahara grenzen omvat. Voorts vloeit daar eveneens uit voort dat die overeenkomst zowel op het grondgebied van het Koninkrijk Marokko als op dat van de Westelijke Sahara van toepassing is, althans op het deel van dat grondgebied dat door dat derde land wordt gecontroleerd en waarop overeenkomstig artikel 6, lid 1, van de Visserijovereenkomst de Marokkaanse „wet- en regelgeving”„van toepassing is”. Dat geldt met name voor de bepalingen ervan die verband houden met de financiële tegenprestatie, die de sectorale steun omvat en de „bevolkingsgroepen” van dat gebied evenredig met de visserijactiviteiten in de aangrenzende wateren ten goede kan komen.
118 Aan die analyse wordt niet afgedaan door de uitlegging die het Hof heeft gegeven aan de werkingssfeer van de Associatieovereenkomst en de Liberaliseringsovereenkomst in de punten 86 tot en met 126 van het arrest Raad/Front Polisario en voorts aan die van de Visserijovereenkomst van 2006 en het Protocol van 2013 in de punten 59 tot en met 82 van het arrest Western Sahara Campaign UK (zie de punten 36-40 en 44-51 hierboven).
119 Uit de punten 86 tot en met 126 van het arrest Raad/Front Polisario en de punten 59 tot en met 82 van het arrest Western Sahara Campaign UK vloeit namelijk voort dat een overeenkomst tussen de Unie en het Koninkrijk Marokko die in het kader van het door de Associatieovereenkomst gevormd verdragencomplex is gesloten, niet aldus kan worden uitgelegd dat de territoriale werkingssfeer ervan, zoals omschreven in artikel 94 van die overeenkomst, impliciet het grondgebied van de Westelijke Sahara omvat (zie in die zin het arrest van heden, Front Polisario/Raad, T‑279/19, punt 187). Voorts vloeit uit de punten 73 en 79 van het arrest Western Sahara Campaign UK voort dat een in dat kader tussen die twee partijen gesloten visserijovereenkomst en het bijbehorende uitvoeringsprotocol, die verwijzen naar de „Marokkaanse visserijzone”, die zelf wordt omschreven door te verwijzen naar de wateren waarover het Koninkrijk Marokko de soevereiniteit of de jurisdictie bezit, niet aldus kunnen worden uitgelegd dat de wateren die grenzen aan de Westelijke Sahara vallen onder de Marokkaanse visserijzone.
120 Het Hof heeft zich in de arresten Raad/Front Polisario en Western Sahara Campaign UK daarentegen niet uitgesproken over de gevolgen die moeten worden getrokken uit een bepaling van een tussen de Unie en het Koninkrijk Marokko gesloten overeenkomst waarin uitdrukkelijk is aangegeven dat het toepassingsgebied ervan zich uitstrekt tot het grondgebied van de Westelijke Sahara en de aangrenzende wateren. Meer in het bijzonder heeft het Hof, zoals de Commissie en de Franse Republiek hebben opgemerkt, niet in beginsel uitgesloten dat een dergelijke uitdrukkelijke toevoeging van dat grondgebied en die wateren aan dit toepassingsgebied geldig zou zijn (zie in die zin arrest van heden, Front Polisario/Raad, T‑279/19, punten 187 en 188).
121 Voorts kan het vereiste dat met name uit artikel 31, lid 3, onder c), van het Verdrag van Wenen voortvloeit en volgens hetwelk bij de uitlegging van verdragsbepalingen rekening moet worden gehouden met iedere ter zake dienende regel van het volkenrecht die op de partijen kan worden toegepast, niet dienen als grondslag om dergelijke bepalingen uit leggen op een manier die indruist tegen de bewoordingen ervan, wanneer de betekenis van die bepalingen duidelijk is en het bovendien vaststaat dat die betekenis overeenkomt met die welke de verdragspartijen eraan hebben willen geven. Naast het feit dat dit vereiste moet worden uitgevoerd in overeenstemming met het in artikel 31, lid 1, van dat verdrag neergelegde beginsel, volgens hetwelk een verdrag te goeder trouw moet worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag, mag die uitvoering er immers niet toe leiden dat de kern van de rechten en plichten waarmee de Unie en het Koninkrijk Marokko in het kader van de litigieuze overeenkomst onderling hebben ingestemd, wordt gewijzigd (zie in die zin arrest van heden, Front Polisario/Raad, T‑279/19, punten 190‑192).
122 Aangezien de litigieuze overeenkomst met name tot doel heeft een wettelijk kader te scheppen voor de toevoeging van de aan de Westelijke Sahara grenzende wateren aan de visserijzone waartoe vaartuigen van de Unie toegang hebben, en dus voor de toepassing op het grondgebied van de Westelijke Sahara van de financiële tegenprestatie die door de Unie naar evenredigheid met de activiteiten van die vaartuigen wordt toegekend, dient op basis daarvan noodzakelijkerwijs tot de slotsom te worden gekomen dat de partijen met die overeenkomst hebben willen afwijken van artikel 94 van de Associatieovereenkomst wat de territoriale werkingssfeer betreft van de op die activiteiten en die tegenprestatie toepasselijke rechtsregeling. Dat artikel beperkt de werkingssfeer van de Associatieovereenkomst, wat het Koninkrijk Marokko betreft, immers tot het grondgebied van dat land (zie in die zin arrest van heden, Front Polisario/Raad, T‑279/19, punt 189).
123 Het uitgangspunt waarop verzoeker zijn bevoegdheid baseert om tegen het bestreden besluit op te komen, namelijk dat het bestreden besluit een overeenkomst tussen de Unie en het Koninkrijk Marokko goedkeurt die uitdrukkelijk van toepassing is op het grondgebied van de Westelijke Sahara en op de aangrenzende wateren, is dus juist.
b) Strekking van de conclusies tot nietigverklaring
124 Het Gerecht merkt op dat verzoeker in het kader van het onderhavige beroep met zijn middelen en argumenten enkel tegen de wettigheid van het bestreden besluit opkomt omdat dit besluit de toepassing goedkeurt van de litigieuze overeenkomst op het grondgebied van de Westelijke Sahara en op de aangrenzende wateren, hetgeen hij ter terechtzitting, in antwoord op een vraag van het Gerecht in dat verband, in wezen heeft bevestigd. Verzoeker wil met die middelen en argumenten dus niet opkomen tegen de wettigheid van de toepassing van die instrumenten op het grondgebied van het Koninkrijk Marokko of op de wateren waarover dat derde land soevereiniteit of jurisdictie bezit, welke toepassing in het kader van het onderhavige geding dus niet ter discussie wordt gesteld.
125 Uit de bewoordingen van het verzoekschrift, met name uit het inleidende en afsluitende deel ervan, blijkt evenwel dat verzoeker in zijn conclusies verzoekt om nietigverklaring van het bestreden besluit zonder de draagwijdte van die nietigverklaring uitdrukkelijk te beperken tot de goedkeuring, bij dat besluit, van de toepassing van de litigieuze overeenkomst op de Westelijke Sahara en de aangrenzende wateren.
126 Verzoeker heeft ter terechtzitting in antwoord op een vraag over de kwestie van de strekking van zijn conclusies aangegeven dat zijn beroep primair strekt tot nietigverklaring van het bestreden besluit, voor zover daarbij de toepassing van de litigieuze overeenkomst op de Westelijke Sahara en de aangrenzende wateren wordt goedgekeurd en, subsidiair, in het geval dat die territoriale toepassing volgens het Gerecht niet los kan worden gezien van die overeenkomst in haar geheel, tot nietigverklaring van het gehele bestreden besluit.
127 In dat verband dient te worden opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak gedeeltelijke nietigverklaring van een Uniehandeling slechts mogelijk is wanneer de elementen waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, kunnen worden gescheiden van de rest van de handeling. In dat verband is herhaaldelijk geoordeeld dat aan dit vereiste van scheidbaarheid niet is voldaan wanneer de gedeeltelijke nietigverklaring van een handeling tot gevolg zou hebben dat de kern ervan wordt gewijzigd. Bijgevolg veronderstelt de beoordeling van de scheidbaarheid van onderdelen van een Uniehandeling dat de draagwijdte ervan wordt onderzocht, om te kunnen uitmaken of de nietigverklaring van die onderdelen de geest en de kern van die handeling zou wijzigen (zie arrest van 9 november 2017, SolarWorld/Raad, C‑204/16 P, EU:C:2017:838, punten 36 en 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
128 Zoals uit de punten 109 tot en met 117 hierboven voortvloeit, heeft de Raad met het bestreden besluit namens de Unie uitdrukking gegeven aan de instemming van de Unie met een overeenkomst met het Koninkrijk Marokko waarvan de bepalingen zonder onderscheid van toepassing zijn op enerzijds het grondgebied van dat derde land en de wateren waarover die staat soevereiniteit of jurisdictie bezit en anderzijds de Westelijke Sahara en de aangrenzende wateren. Meer bepaald dient erop te worden gewezen dat ofschoon de visserijzone volgens de Visserijovereenkomst laatstgenoemde wateren uitdrukkelijk omvat, de omschrijving van die zone en deze van de beheersgebieden waarop de technische notities in aanhangsel 2 van het uitvoeringsprotocol betrekking hebben, niet inhouden dat de visserijactiviteiten worden onderscheiden naargelang zij plaatsvinden in die wateren dan wel in de Marokkaanse wateren. Ook de bepalingen van die overeenkomst en het uitvoeringsprotocol inzake de financiële tegenprestatie, waaronder de sectorale steun, maken geen enkel onderscheid tussen het deel ervan dat wordt uitgekeerd voor de activiteiten die plaatsvinden op het grondgebied van Marokko en het gedeelte ervan dat wordt uitgekeerd voor de activiteiten die plaatsvinden op voornoemd niet-zelfbesturende gebied.
129 Derhalve moet daaruit worden afgeleid dat de goedkeuring die bij het bestreden besluit namens de Unie is gegeven aan het feit dat de litigieuze overeenkomst van toepassing is op de Westelijke Sahara en op de aangrenzende wateren niet kan worden gescheiden van de goedkeuring bij dat besluit van die overeenkomst in haar geheel. Zou dat besluit enkel nietig worden verklaard voor zover daarbij de toepassing van die overeenkomst op dat niet-zelfbesturende gebied en de genoemde wateren wordt goedgekeurd, dan zouden de geest en de kern van die handeling dus worden gewijzigd.
130 Overigens dient eraan te worden herinnerd dat verzoeker in beginsel het oorspronkelijke voorwerp van het verzoekschrift niet mag wijzigen door de daarin uiteengezette vordering te vervangen door een vordering die voor het eerst wordt uiteengezet ter terechtzitting [zie in die zin en naar analogie arresten van 27 januari 2000, Mulder e.a./Raad en Commissie, C‑104/89 en C‑37/90, EU:C:2000:38, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 21 april 2005, Holcim (Deutschland)/Commissie, T‑28/03, EU:T:2005:139, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. In casu dient erop te worden gewezen dat enkel de ter terechtzitting subsidiair uiteengezette vordering strekkende tot nietigverklaring van het bestreden besluit in zijn geheel overeenkomt met de in het verzoekschrift geformuleerde vordering.
131 Daarom dient de ter terechtzitting primair uiteengezette vordering van verzoeker, strekkende tot gedeeltelijke nietigverklaring van het bestreden besluit, voor zover het de toepassing goedkeurt van de litigieuze overeenkomst op de Westelijke Sahara en de aangrenzende wateren, niet-ontvankelijk te worden verklaard. Bijgevolg dient enkel verzoekers vordering te worden onderzocht zoals die is uiteengezet in het verzoekschrift en ter terechtzitting als subsidiaire vordering is herhaald, die strekt tot nietigverklaring van het bestreden besluit in zijn geheel.
c) Eerste middel van niet-ontvankelijkheid van de Raad, ontleend aan verzoekers gebrek aan bekwaamheid om in rechte op te treden
132 Ter ondersteuning van het eerste middel van niet-ontvankelijkheid betoogt de Raad dat verzoeker geen rechtspersoon is in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, die beschikt over de bekwaamheid om voor de rechterlijke instanties van de Unie in rechte op te treden. In de eerste plaats voert hij aan dat verzoeker geen rechtspersoonlijkheid bezit krachtens het nationale recht van een lidstaat. In de tweede plaats betoogt hij dat verzoeker geen volkenrechtelijk subject is. In de derde plaats stelt hij dat verzoeker niet voldoet aan de door de rechterlijke instanties van de Unie vastgestelde criteria om aan een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid de bevoegdheid toe te kennen om in rechte op te treden, en met name aan de voorwaarde die verband houdt met het feit dat de betrokken entiteit door de Unie moet worden behandeld als een afzonderlijke drager van rechten en plichten.
133 De Franse Republiek, de Commissie en de CPMM voeren in wezen hetzelfde betoog als dat van de Raad. De CPMM stellen daarnaast dat verzoeker, gelet op zijn relaties met de Arabische Democratische Republiek Sahara (RASD), die niet is erkend door de VN of de Unie, niet over de nodige autonomie beschikt om op te treden als een in het rechtsverkeer verantwoordelijke entiteit.
134 Verzoeker betoogt, ter ondersteuning van zijn bekwaamheid om in rechte op te treden, dat hij een beweging voor nationale bevrijding is, waarvan de rechten en plichten vanwege de afzonderlijke en specifieke status van de Westelijke Sahara en het zelfbeschikkingsrecht van het Saharaanse volk rechtstreeks worden ontleend aan het volkenrecht. Die status wordt met name bevestigd door zijn bekwaamheid om overeenkomsten te sluiten en door zijn erkenning als enige vertegenwoordiger van dat volk door de Algemene Vergadering van de VN. Als volkenrechtelijk subject voldoet hij des te meer aan de criteria die in de rechtspraak zijn vastgesteld om na te gaan dat een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid kan worden beschouwd als rechtspersoon in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU.
135 Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat overeenkomstig artikel 263, vierde alinea, VWEU iedere natuurlijke of rechtspersoon onder de in de eerste en tweede alinea van dat artikel vastgestelde voorwaarden beroep kan instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen.
136 Vervolgens vereist het in artikel 263, vierde alinea, VWEU opgenomen begrip „rechtspersoon” volgens de rechtspraak in beginsel dat er sprake is van rechtspersoonlijkheid, hetgeen moet worden nagegaan op basis van het nationale recht volgens hetwelk de betrokken rechtspersoon is opgericht, maar heeft het niet noodzakelijk dezelfde inhoud als in de verschillende rechtsorden van de lidstaten. Aldus is in de rechtspraak reeds geoordeeld dat bepaalde entiteiten, onafhankelijk van de vraag of zij waren opgericht als rechtspersonen naar nationaal recht, bekwaam waren om voor de rechterlijke instanties van de Unie in rechte op te treden (zie arrest van heden, Front Polisario/Raad, T‑279/19, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
137 Dat was met name het geval wanneer, ten eerste, de betrokken entiteit voldoende representatief was voor de personen van wie zij de aan het Unierecht ontleende rechten stelde te verdedigen, en zij over de nodige autonomie en verantwoordelijkheid beschikte om in het kader van de door dat recht bepaalde rechtsbetrekkingen op te treden, en, ten tweede, die entiteit door de instellingen was erkend als gesprekspartner bij onderhandelingen over die rechten (zie arrest van heden, Front Polisario/Raad, T‑279/19, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
138 Dat was eveneens het geval wanneer de instellingen van de Unie die entiteit hadden behandeld als een afzonderlijk subject met eigen rechten en plichten. De samenhang en de billijkheid gebieden immers te erkennen dat een dergelijke entiteit over de bevoegdheid beschikt om in rechte op te treden tegen de maatregelen die haar rechten beperken of tegen de nadelige besluiten die de instellingen jegens haar hebben vastgesteld (zie arrest van heden, Front Polisario/Raad, T‑279/19, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
139 Daarbij komt nog dat de rechtspraak niet uitsluit dat, in een andere context dan die van de in de punten 137 en 138 hierboven vermelde arresten, wordt erkend dat een entiteit, onafhankelijk van haar rechtspersoonlijkheid naar nationaal recht, bekwaam is om voor de Unierechter in rechte op te treden, met name indien de vereisten van effectieve rechterlijke bescherming dat gebieden, aangezien een restrictieve uitlegging van het begrip rechtspersoon dient te worden verworpen (zie arrest van heden, Front Polisario/Raad, T‑279/19, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
140 Ten slotte blijkt eveneens uit de rechtspraak dat rechtssubjecten naar internationaal publiekrecht, zoals derde landen, rechtspersonen in de zin van het Unierecht vormen (zie arrest van heden, Front Polisario/Raad, T‑279/19, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
141 In casu zijn partijen, zoals in de zaak die heeft geleid tot het arrest van heden, Front Polisario/Raad (T‑279/19), het weliswaar eens over het feit dat verzoeker niet beschikt over rechtspersoonlijkheid naar nationaal recht, maar verschillen zij van mening over de vraag of verzoeker rechtspersoonlijkheid bezit naar internationaal publiekrecht, meer bepaald over de gevolgen van verzoekers rol bij het proces voor zelfbeschikking van de Westelijke Sahara voor die rechtspersoonlijkheid en over zijn al dan niet beperkte representativiteit ten aanzien van het volk van dat gebied (arrest van heden, Front Polisario/Raad, T‑279/19, punten 88 en 89).
142 Bijgevolg moet in het licht van de in de punten 136 tot en met 140 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak inzake het begrip rechtspersoon worden nagegaan of verzoeker, gelet op zijn rol en representativiteit, bekwaam is om voor de Unierechter in rechte op te treden (arrest van heden, Front Polisario/Raad, T‑279/19, punt 90).
143 Dienaangaande moet er in de eerste plaats aan worden herinnerd dat het Hof in punt 89 van het arrest Raad/Front Polisario, waarop verzoeker zich in het kader van het onderhavige beroep baseert, erop heeft gewezen dat het gewoonterechtelijk zelfbeschikkingsbeginsel deel uitmaakt van de volkenrechtelijke regels die van toepassing zijn op de betrekkingen tussen de Unie en het Koninkrijk Marokko, en die het Gerecht in aanmerking moest nemen. Het Hof heeft er meer bepaald in punt 105 van dat arrest op gewezen dat het IGH in zijn advies over de Westelijke Sahara had benadrukt dat de bevolking van dat gebied ingevolge het algemene volkenrecht recht op zelfbeschikking toestond, zoals uiteengezet in de punten 90 en 91 van dat arrest. Voorts heeft het gepreciseerd dat de Algemene Vergadering van de VN van haar kant in punt 7 van haar resolutie 34/37 over de kwestie van de Westelijke Sahara in overweging gaf verzoeker „als vertegenwoordiger van de Sahrawi, volledig te betrekken bij het zoeken naar een definitieve, rechtvaardige en duurzame oplossing van het vraagstuk van de Westelijke Sahara”.
144 Uit deze overwegingen blijkt dus dat het volkenrecht aan het volk van de Westelijke Sahara een zelfbeschikkingsrecht toekent waarmee de rechterlijke instanties van de Unie rekening dienen te houden, en dat op basis van dat recht door de Algemene Vergadering van de VN aan verzoeker als vertegenwoordiger van dat volk het recht is verleend om „volledig” te worden betrokken bij het zoeken naar een politieke oplossing voor het vraagstuk van de definitieve status van dat gebied. Bovendien zij eraan herinnerd dat dit recht is bevestigd door resolutie 35/19 (zie punt 16 hierboven) en dat verzoeker het heeft uitgeoefend in het kader van de onder auspiciën van de VN gevoerde onderhandelingen, waaraan het Koninkrijk Marokko en hijzelf deelnemen sinds 1988 (zie punten 17, 18 en 20 hierboven) (arrest van heden, Front Polisario/Raad, T‑279/19, punt 92).
145 De Raad, de Franse Republiek, de Commissie en de CPMM betwisten in het kader van het onderhavige middel van niet-ontvankelijkheid niet dat verzoeker zijn door de VN-organen toegekende recht om deel te nemen aan het proces voor zelfbeschikking van de Westelijke Sahara, als vertegenwoordiger van het volk van dat gebied, uitoefent (zie in die zin arrest van heden, Front Polisario/Raad, T‑279/19, punt 93).
146 Zoals verzoeker uiteenzet, dient hij bovendien als vertegenwoordiger van het volk van de Westelijke Sahara te voldoen aan een aantal verbintenissen uit hoofde van het volkenrecht, meer bepaald het met de Islamitische Republiek Mauritanië gesloten vredesverdrag (zie punt 15 hierboven), overeenkomsten die het Koninkrijk Marokko en hijzelf inzake bepaalde kwesties met betrekking tot de toepassing van de voorstellen voor een regeling van de secretaris-generaal van de VN hebben bereikt en de vier Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en het op 8 juni 1977 ondertekende Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 inzake de bescherming van de slachtoffers van internationale gewapende conflicten (Protocol I), waartoe hij is toegetreden op 23 juni 2015 (zie in die zin arrest van heden, Front Polisario/Raad, T‑279/19, punt 94).
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 22 juni 2021, C-872/19, ECLI:EU:C:2021:507
- Gerecht EU 10 maart 2020, T-251/18, ECLI:EU:T:2020:89
- Gerecht EU 20 september 2019, T-65/18, ECLI:EU:T:2019:649
- HvJ EU 6 november 2018, C-622/16, ECLI:EU:C:2018:873
- HvJ EU 4 september 2018, C-244/17, ECLI:EU:C:2018:662
- HvJ EU 27 februari 2018, C-266/16, ECLI:EU:C:2018:118
- HvJ EU 9 november 2017, C-204/16, ECLI:EU:C:2017:838
- HvJ EU 6 september 2017, C-643/15, ECLI:EU:C:2017:631
- HvJ EU 21 december 2016, C-104/16, ECLI:EU:C:2016:973
- Gerecht EU 10 december 2015, T-512/12, ECLI:EU:T:2015:953
- HvJ EU 21 december 2011, C-366/10, ECLI:EU:C:2011:864
- HvJ EU 18 januari 2007, C-229/05, ECLI:EU:C:2007:32
- Gerecht EU 21 april 2005, T-28/03, ECLI:EU:T:2005:139
- HvJ EU 10 april 2003, C-142/00, ECLI:EU:C:2003:217