Art. 17 Verordening (EU) 2017/2403, Voorwaarden voor de afgifte van vismachtigingen door de vlaggenlidstaten
1. Een vlaggenlidstaat mag enkel een vismachtiging voor visserijactiviteiten in de wateren van derde landen buiten het kader van een overeenkomst als bedoeld in afdeling 1 of 2 afgeven indien:
a) de in artikel 5 vastgestelde machtigingscriteria zijn vervuld;
b) er geen PODV of overeenkomst inzake uitwisseling van vangstmogelijkheden of gezamenlijk beheer met het betreffende derde land van kracht is of voorlopig wordt toegepast;
c) de marktdeelnemer elk van de volgende elementen heeft verstrekt:
— een door het derde land met soevereiniteit of jurisdictie over de wateren waar de visserijactiviteiten plaatsvinden aan de marktdeelnemer verstrekte kopie van of een exacte verwijzing naar de geldende visserijwetgeving;
— een wetenschappelijke evaluatie die de duurzaamheid van de geplande visserijactiviteiten aantoont, en in voorkomend geval ook de verenigbaarheid met artikel 62 van het Unclos;
— een officieel rekeningnummer bij een overheidsbank dat voor de betaling van alle vergoedingen is aangewezen;
d) bij visserijactiviteiten op een door een ROVB beheerde soort, het derde land een verdrag- of overeenkomstsluitende partij bij die organisatie is, en
e) de marktdeelnemer een van de volgende elementen heeft verstrekt:
— een geldige vismachtiging voor het betrokken vaartuig die is afgegeven door het derde land met soevereiniteit of jurisdictie over de wateren waar de visserijactiviteiten plaatsvinden, of
— een schriftelijke bevestiging, afgegeven door het derde land met soevereiniteit of jurisdictie over de wateren waar de visserijactiviteiten plaatsvinden, naar aanleiding van de besprekingen tussen de marktdeelnemer en dat derde land, van de voorwaarden voor de voorgenomen rechtstreekse machtiging om de marktdeelnemer toegang tot zijn visbestanden te geven, met inbegrip van de duur, voorwaarden en vangstmogelijkheden uitgedrukt als inspannings- of vangstbeperkingen.
2. De visserijactiviteiten beginnen in elk geval pas nadat het derde land de in lid 1, onder e), bedoelde geldige vismachtiging heeft afgegeven. De vlaggenlidstaat schorst zijn machtiging indien de machtiging door het derde land niet is afgegeven tegen het begin van de geplande visserijactiviteiten.
3. De in lid 1, onder c), tweede streepje, bedoelde wetenschappelijke evaluatie wordt verstrekt door een ROVB of door een regionaal visserijorgaan met wetenschappelijke bevoegdheden, of wordt verstrekt door of in samenwerking met het derde land. De wetenschappelijke evaluatie die uitgaat van het derde land wordt door een wetenschappelijk instituut of orgaan van een lidstaat of van de Unie beoordeeld.