Art. 32 Verordening (EU) 2016/2031, Erkenning van beschermde gebieden

Verordening (EU) 2016/2031

1. Wanneer een quarantaineorganisme wel aanwezig is op het grondgebied van de Unie, maar niet op het grondgebied van een lidstaat of een deel daarvan, en het geen EU-quarantaineorganisme betreft, kan de Commissie, op verzoek van die lidstaat op grond van lid 4, dat grondgebied of een deel daarvan overeenkomstig lid 3 erkennen als beschermd gebied wat dat quarantaineorganisme betreft („beschermdgebiedquarantaineorganismen”, hierna „ZP-quarantaineorganismen” (van „Zona Protecta-quarantaineorganismen”)).

2. Er mogen geen ZP-quarantaineorganismen worden binnengebracht op, in het verkeer zijn binnen, of worden gehouden, vermeerderd of vrijgelaten in, het betrokken beschermde gebied.

Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing op het binnenbrengen in, en het verkeer binnen, het houden en vermeerderen van ZP-quarantaineorganismen in beschermde gebieden.

3. De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling een lijst van de beschermde gebieden en de betrokken ZP-quarantaineorganismen op. Die lijst omvat de beschermde gebieden die zijn erkend in overeenstemming met artikel 2, lid 1, onder h), eerste alinea, van Richtlijn 2000/29/EG, de respectieve plaagorganismen die zijn opgenomen in bijlage I, deel B, en bijlage II, deel B, bij die richtlijn, alsmede codes die specifiek aan deze plaagorganismem zijn toegekend.

Wanneer is voldaan aan de in lid 1 van dit artikel vermelde voorwaarden, kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen tot wijziging van de in de eerste alinea bedoelde uitvoeringshandeling andere beschermde gebieden erkennen.

De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de in de eerste alinea van dit lid bedoelde uitvoeringshandeling vervangen met het oog op het consolideren van wijzigingen.

De in dit lid bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4. De betrokken lidstaat dient tezamen met het in lid 1 bedoelde verzoek documenten in met:

a) een beschrijving van de grenzen van het voorgestelde beschermde gebied, met inbegrip van kaarten;

b) de onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat het betrokken quarantaineorganisme gedurende ten minste de laatste drie jaar voor de indiening van het verzoek niet in het betrokken gebied aanwezig was; en

c) gegevens waaruit blijkt dat het betrokken quarantaineorganisme voldoet aan de in artikel 3 genoemde voorwaarden met betrekking tot het voorgestelde beschermde gebied.

5. De onderzoeken bedoeld in lid 4, onder b), moeten worden uitgevoerd op gepaste tijdstippen en met gepaste intensiteit wat de mogelijkheid tot het opsporen van het betrokken quarantaineorganisme betreft. Zij worden gebaseerd op deugdelijke wetenschappelijke en technische beginselen, en houden rekening met de toepasselijke internationale normen.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door het vastleggen van gedetailleerde regels voor die onderzoeken. Deze handelingen worden vastgesteld conform de ontwikkeling van wetenschappelijke en technische kennis en de toepasselijke internationale normen.

6. De Commissie kan tijdelijke beschermde zones erkennen. Daartoe zijn de voorwaarden van lid 1, lid 4, en lid 5, eerste alinea, van overeenkomstige toepassing. In afwijking van het vereiste in lid 4, onder b), is er over een periode van ten minste een jaar vóór de indiening van het verzoek een onderzoek uitgevoerd.

De erkenning van een tijdelijke beschermde zone geldt ten hoogste drie jaar vanaf de erkenning, en vervalt automatisch na drie jaar.

7. De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten hiervan in kennis en verstrekken, via publicatie op de officiële website van de bevoegde autoriteit, de professionele marktdeelnemers informatie over de grenzen van de beschermde gebieden op hun grondgebied, ook door middel van de desbetreffende kaarten.