Art. 30 Verordening (EU) 2016/2031, Maatregelen van de Unie met betrekking tot plaagorganismen die niet zijn opgenomen in de lijst van EU-quarantaineorganismen

Verordening (EU) 2016/2031

1. Wanneer de Commissie een in artikel 29, lid 3, eerste alinea, bedoelde kennisgeving ontvangt of over andere aanwijzingen beschikt dat een niet in de lijst van EU-quarantaineorganismen opgenomen plaagorganisme op het grondgebied van de Unie aanwezig is dan wel dat er onmiddellijk gevaar dreigt dat een dergelijk plaagorganisme het grondgebied van de Unie binnendringt of er zich verspreidt, en zij van oordeel is dat dit plaagorganisme mogelijk voldoet aan de voorwaarden voor opneming in die lijst, onderzoekt zij onmiddellijk of dit plaagorganisme, wat het grondgebied van de Unie betreft, voldoet aan de criteria van bijlage I, deel 3, subdeel 2.

Wanneer de Commissie concludeert dat aan die criteria wordt voldaan, stelt zij onmiddellijk bij uitvoeringshandeling tijdelijke maatregelen vast met betrekking tot de aan dit plaagorganisme verbonden risico's. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Bij deze maatregelen wordt in voorkomend geval specifiek voor elk van de betrokken plaagorganismen uitvoering gegeven aan een of meer van de bepalingen bedoeld in artikel 28, lid 1, eerste alinea, onder a) tot en met g).

2. Nadat zij in lid 1 bedoelde maatregelen heeft vastgesteld, onderzoekt de Commissie of het betrokken plaagorganisme, wat het grondgebied van de Unie betreft, voldoet aan de in bijlage I, deel 1, vermelde criteria voor quarantaineorganismen.

3. Wanneer op basis van de in de artikelen 19 en 22 bedoelde onderzoeken of van andere aanwijzingen wordt geconcludeerd dat uitroeiing van het betrokken plaagorganisme in een afgebakend gebied niet mogelijk is, kunnen bij de in lid 1, tweede alinea, van dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen maatregelen worden vastgelegd die inperking ten doel hebben.

4. Wanneer geconcludeerd wordt dat voor de bescherming van het deel van het grondgebied van de Unie waar het betrokken plaagorganisme niet aanwezig is, preventiemaatregelen in gebieden buiten de afgebakende gebieden noodzakelijk zijn, kunnen bij de in lid 1 bedoelde uitvoeringshandelingen dergelijke maatregelen worden vastgesteld.

5. De in de leden 1, 3 en 4 bedoelde maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig bijlage II, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke risico's op de betrokken plaagorganismen en de noodzaak van geharmoniseerde uitvoering van de noodzakelijke risicobeperkende maatregelen op het niveau van de Unie.

6. Zolang de Commissie geen maatregelen heeft vastgesteld, kan de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 29 de door hem genomen maatregelen handhaven.

7. Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met het aanpakken van een ernstig risico van plaagorganismen, stelt de Commissie volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast. Die maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig bijlage II, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke risico's op de betrokken plaagorganismen en de noodzaak van geharmoniseerde uitvoering van de noodzakelijke risicobeperkende maatregelen op het niveau van de Unie.

8. De lidstaten stellen door middel van het in artikel 103 bedoelde elektronische kennisgevingssysteem de Commissie en de overige lidstaten in kennis van eventuele gevallen waarin de op grond van dit artikel vastgestelde maatregelen niet zijn nageleefd, waardoor het risico op verspreiding van de in lid 1 van dit artikel bedoelde plaagorganismen ontstaat.