Art. 37 Verordening (EU) 2016/2031, Verbod op het binnenbrengen en het verkeer van door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen op voor opplant bestemde planten
1. Professionele marktdeelnemers mogen geen door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen in het grondgebied van de Unie binnenbrengen of daarbinnen vervoeren op de voor opplant bestemde planten waardoor zij worden overgedragen, zoals vermeld in de in lid 2 bedoelde lijst.
Het in de eerste alinea bepaalde verbod geldt niet in de volgende gevallen:
a) verkeer van voor opplant bestemde planten binnen en tussen de bedrijfsruimten van de betrokken professionele marktdeelnemer;
b) verkeer van voor opplant bestemde planten om die planten te kunnen ontsmetten.
2. De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling een lijst op van de door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen en de specifieke voor opplant bestemde planten zoals bedoeld in artikel 36, onder d), in voorkomend geval met vermelding van de in lid 7 van dit artikel bedoelde categorieën en de in lid 8 van dit artikel bedoelde drempelwaarden.
3. De lijst bedoeld in lid 2 omvat de plaagorganismen en de respectieve voor opplant bestemde planten die worden vermeld in de volgende bepalingen:
a) bijlage II, deel A, rubriek II, bij Richtlijn 2000/29/EG;
b) bijlage I, punten 3 en 6, alsmede bijlage II, punt 3, bij Richtlijn 66/402/EEG;
c) bijlage I bij Richtlijn 68/193/EEG;
d) de handelingen vastgesteld op grond van artikel 5, lid 5, van Richtlijn 98/56/EG van de Raad (24);
e) bijlage II bij Richtlijn 2002/55/EG;
f) bijlage I en bijlage II, punt B, bij Richtlijn 2002/56/EG en de handelingen vastgesteld op grond van artikel 18, onder c), van die richtlijn;
g) bijlage I, punt 4, en bijlage II, punt 5, bij Richtlijn 2002/57/EG;
h) de handelingen vastgesteld op grond van artikel 4 van Richtlijn 2008/72/EG; en
i) de handelingen vastgesteld op grond van artikel 4 van Richtlijn 2008/90/EG.
Plaagorganismen, vermeld in de lijst in bijlage I, deel A, en bijlage II, deel B, bij Richtlijn 2000/29/EG, en vermeld als EU-quarantaineorganisme overeenkomstig artikel 5, lid 2, van deze verordening, alsmede plaagorganismen die onderworpen zijn aan de krachtens artikel 30, lid 1, van deze verordening vastgestelde maatregelen, worden niet opgenomen in die lijst.
4. De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling, waar passend, maatregelen vast om de aanwezigheid van door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen op de betrokken voor opplant bestemde planten, als bedoeld in artikel 36, onder f), van deze verordening te voorkomen. Die maatregelen betreffen, in voorkomend geval, het binnenbrengen in en het verkeer binnen de Unie van die planten. Die maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig de in bijlage II, deel 2, van deze verordening vermelde beginselen. Die maatregelen gelden onverminderd de krachtens de Richtlijnen 66/401/EEG, 66/402/EEG, 68/193/EEG en 98/56/EG, Richtlijn 1999/105/EG van de Raad (25), en de Richtlijnen 2002/54/EG, 2002/55/EG, 2002/56/EG, 2002/57/EG, 2008/72/EG en 2008/90/EG vastgestelde maatregelen.
5. De Commissie wijzigt door middel van uitvoeringshandelingen de in de leden 2 en 4 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen, wanneer uit een evaluatie blijkt dat:
a) een niet in de in lid 2 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandeling opgenomen plaagorganisme voldoet aan de voorwaarden van artikel 36,
b) een in de in lid 2 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandeling opgenomen plaagorganisme niet langer voldoet aan één of meer van de voorwaarden van artikel 36,
c) die lijst wat betreft de in lid 7 van dit artikel bedoelde categorieën of de in lid 8 van dit artikel bedoelde drempelwaarden moet worden gewijzigd; of
d) op grond van lid 4 van dit artikel vastgestelde maatregelen moeten worden gewijzigd.
De Commissie stelt die evaluatie onverwijld ter beschikking van de lidstaten.
De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de in de leden 2 en 4 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen vervangen met het oog op het consolideren van wijzigingen.
6. De in de leden 2 en 4 bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
7. Wanneer aan de voorwaarde van artikel 36, onder e), alleen wordt voldaan voor één of meer van de volgende categorieën: prebasismateriaal, basismateriaal of gecertificeerd materiaal, zaaigoed of pootaardappelen, standaard of CAC-materiaal of zaaigoed, zoals respectievelijk vermeld in de Richtlijnen 66/401/EEG, 66/402/EEG, 68/193/EEG, 2002/54/EG, 2002/55/EG, 2002/56/EG, 2002/57/EG, 2008/72/EG en 2008/90/EG, moet in de in lid 2 van dit artikel bedoelde lijst bij de vermelding van deze categorieën worden aangegeven dat het in lid 1 van dit artikel neergelegde verbod op het binnenbrengen en het verkeer alleen voor deze categorieën geldt.
8. Wanneer aan de voorwaarde van artikel 36, onder e), alleen wordt voldaan indien het betrokken plaagorganisme met een incidentie boven een bepaalde drempelwaarde groter dan nul aanwezig is, moet in de in lid 2 van dit artikel bedoelde lijst bij de vermelding van deze drempelwaarde worden aangegeven dat het in in lid 1 van dit artikel neergelegde verbod op het binnenbrengen en het verkeer alleen boven deze drempelwaarde geldt.
Er wordt alleen een dergelijke drempelwaarde vastgesteld indien aan de volgende criteria wordt voldaan:
a) het is mogelijk dat professionele marktdeelnemers ervoor zorgen dat de incidentie van dat door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganisme op die voor opplant bestemde planten die drempelwaarde niet overschrijdt;
b) het is mogelijk na te gaan of die drempelwaarde in partijen van die voor opplant bestemde planten niet wordt overschreden.
De in bijlage II, deel 2, genoemde beginselen voor het beheersen van de risico's op plaagorganismen zijn van toepassing.
9. Artikel 31 is van overeenkomstige toepassing op de maatregelen die de lidstaten moeten nemen betreffende gereguleerde niet-quarantaineorganismen en de respectieve voor opplant bestemde planten.