Art. 29 Verordening (EU) 2016/2031, Maatregelen van lidstaten met betrekking tot plaagorganismen die niet zijn opgenomen in de lijst van EU-quarantaineorganismen
1. Wanneer de aanwezigheid van een niet in de lijst van EU-quarantaineorganismen opgenomen plaagorganisme op het grondgebied van een lidstaat officieel wordt bevestigd en de betrokken lidstaat van oordeel is dat dit plaagorganisme mogelijk voldoet aan de voorwaarden voor opneming in de lijst van EU-quarantaineorganismen, onderzoekt hij onmiddellijk of dat plaagorganisme voldoet aan de criteria van bijlage I, deel 3, subdeel 1. Wanneer hij concludeert dat aan die criteria wordt voldaan, neemt hij onmiddellijk uitroeiingsmaatregelen overeenkomstig bijlage II. De artikelen 17 tot en met 20 zijn van toepassing.
Wanneer op basis van de in artikel 19 bedoelde onderzoeken of van andere gegevens, wordt geconcludeerd dat uitroeiing van een betrokken plaagorganisme in een afgebakend gebied niet mogelijk is, is artikel 28, lid 2, van overeenkomstige toepassing.
Wanneer officieel wordt bevestigd dat een plaagorganisme dat voldoet aan de in de eerste alinea bedoelde criteria aanwezig is in een zending planten, plantaardige producten of andere materialen die worden binnengebracht op of in het verkeer zijn binnen het grondgebied van een lidstaat, neemt die lidstaat de nodige maatregelen om het binnendringen in, en het vestigen of het verspreiden van het plaagorganisme binnen het grondgebied van de Unie te voorkomen.
Wanneer een lidstaat vermoedt dat op zijn grondgebied een plaagorganisme aanwezig is dat voldoet aan de in de eerste alinea bedoelde criteria, is artikel 10 van overeenkomstige toepassing.
In afwachting van de officiële bevestiging van de aanwezigheid van het plaagorganisme stelt de betrokken lidstaat in voorkomend geval fytosanitaire maatregelen vast om het risico op verspreiding daarvan te beperken.
2. Nadat hij de in lid 1 bedoelde maatregelen heeft genomen, onderzoekt de lidstaat of het betrokken plaagorganisme voldoet aan de in bijlage I, deel 1, vermelde criteria voor quarantaineorganismen.
3. De betrokken lidstaat stelt de Commissie en de overige lidstaten in kennis van de aanwezigheid van het in lid 1 bedoelde plaagorganisme. Hij stelt de Commissie en de overige lidstaten in kennis van het in dat lid bedoelde onderzoek, de maatregelen die zijn genomen en de gegevens die deze maatregelen rechtvaardigden.
Hij stelt de Commissie binnen twee jaar na de officiële bevestiging van de aanwezigheid van het plaagorganisme in kennis van de resultaten van het in lid 2 bedoelde onderzoek.
Van de aanwezigheid van het betrokken plaagorganisme wordt kennisgegeven via het in artikel 103 bedoelde elektronische kennisgevingssysteem.