Art. 18 Verordening (EU) 2016/631, Eisen voor synchrone elektriciteitsproductie-eenheden van het type C
1. Synchrone elektriciteitsproductie-eenheden van het type C voldoen aan de eisen van de artikelen 13, 14, 15 en 17, met uitzondering van artikel 13, lid 2, onder b), en lid 6, artikel 14, lid 2, en artikel 17, lid 2, onder a).
2. Synchrone elektriciteitsproductie-eenheden van het type C voldoen aan de volgende aanvullende eisen qua spanningsstabiliteit:
a) wat de capaciteit voor het leveren van blindvermogen betreft, kan de relevante systeembeheerder de levering van extra blindvermogen eisen wanneer het aansluitpunt van de synchrone elektriciteitsproductie-eenheid noch gelegen is op de hoogspanningsaansluiting van de machinetransformator naar het spanningsniveau van het aansluitpunt, noch op de klemmen van de draaistroomgenerator als er geen machinetransformator wordt gebruikt. Dit aanvullend blindvermogen moet de vraag om blindvermogen van de hoogspanningslijn of -kabel tussen de hoogspanningsklemmen van de machinetransformator van de synchrone elektriciteitsproductie-eenheid, of de draaistroomgeneratorklemmen daarvan als geen machinetransformator bestaat, en het aansluitpunt compenseren en wordt geleverd door de eigenaar van die hoogspanningslijn of -kabel;
b) wat de capaciteit voor het leveren van blindvermogen bij de maximumcapaciteit betreft:
i) de relevante systeembeheerder stelt, in overleg met de relevante TSB, de capaciteit voor het leveren van blindvermogen bij variërende spanning vast. In dat verband specificeert de relevante systeembeheerder een U-Q/Pmax-profiel binnen de grenzen waarvan de synchrone productie-eenheid in staat is blindvermogen te leveren bij zijn maximumcapaciteit. Het vastgestelde U-Q/Pmax-profiel kan elke vorm aannemen, waarbij rekening wordt gehouden met de potentiële kosten van het leveren van capaciteit tot levering van blindvermogen bij hoge spanningen en tot opname van blindvermogen bij lage spanningen;
ii) het U-Q/Pmax-profiel wordt vastgesteld door de relevante systeembeheerder in overleg met de relevante TSB, overeenkomstig de volgende beginselen:
— het U-Q/Pmax-profiel blijft binnen de U-Q/Pmax-envelop, in figuur 7 getoond als de binnenste envelop;
— de dimensies van de U-Q/Pmax-envelop (Q/Pmax-bereik en spanningsbereik) liggen binnen het in tabel 8 gespecificeerde bereik voor elke synchrone zone, en
— de positie van de U-Q/Pmax-envelop ligt binnen de grenzen van de in figuur 7 getoonde buitenste envelop;
Figuur 7
U-Q/Pmax-profiel van een synchrone elektriciteitsproductie-eenheid
Vaste buitenste enveloppe
Levering (inductief)
Opname (capacitief)
Q/PMAX
Q/PMAX-bereik
Spanningsbereik
Binnenste eveloppe
,700
,600
,500
,400
,300
,200
,100
– ,000
– ,100
– ,200
– ,300
– ,400
– ,500
– ,600
1,050
1,000
,950
,900
,850
1,100
V/p.
Het diagram toont de grenzen van een U-Q/Pmax-profiel bij de spanning op het aansluitpunt, uitgedrukt als de verhouding tussen de feitelijke en de referentie 1 pu-waarde ervan, ten opzichte van de verhouding tussen het blindvermogen (Q) en de maximumcapaciteit (Pmax). De positie, omvang en vorm van de binnenste envelop zijn indicatief.
Tabel 8
Parameters voor de in figuur 7 getoonde binnenste envelop
Synchrone zone
Maximumbereik van Q/Pmax
Maximumbereik van de stationaire spanning, uitgedrukt in pu
Continentaal Europa
0,95
0,225
Noord-Europa
0,95
0,150
Groot-Brittannië
0,95
0,225
Ierland en Noord-Ierland
1,08
0,218
Baltische staten
1,0
0,220
iii) de eis qua capaciteit om blindvermogen te leveren, geldt op het aansluitpunt. Voor andere dan rechthoekige profielvormen geeft het spanningsbereik de hoogste en laagste waarden. Het volledig blindvermogen wordt derhalve niet verwacht beschikbaar te zijn in het gehele spanningsbereik in stationaire toestand;
iv) de synchrone productie-eenheid is in staat om binnen passende tijdsperiodes over te gaan tot elk bedrijfspunt binnen zijn U-Q/Pmax-profiel in de richting van de gewenste waarde, zoals gevraagd door de relevante systeembeheerder;
c) wat het beneden de maximumcapaciteit gelegen blindvermogen betreft, zijn synchrone elektriciteitsproductie-eenheden wanneer in bedrijf bij een opgewekt werkzaam vermogen beneden de maximumcapaciteit (P < Pmax), in staat in bedrijf te zijn op elk mogelijk bedrijfspunt binnen het P-Q-capaciteitsdiagram van de draaistroomgenerator van die synchrone productie-eenheid, ten minste tot aan minimaal stabiel bedrijf. Zelfs bij verminderd opgewekt werkzaam vermogen stemt de levering van blindvermogen op het aansluitpunt in zijn geheel overeen met het P-Q-capaciteitsdiagram van de draaistroomgenerator van die synchrone elektriciteitsproductie-eenheid, waarbij rekening wordt gehouden met de eigenbedrijfsvoorziening en, indien van toepassing, met de verliezen aan werkzaam en blindvermogen van de machinetransformator.