Art. 16 Verordening (EU) 2016/631, Algemene eisen voor elektriciteitsproductie-eenheden van het type D
1. In aanvulling op de eisen van artikel 13, met uitzondering van lid 2, onder b), lid 6 en lid 7 betreft, artikel 14, met uitzondering van lid 2, betreft, en artikel 15, met uitzondering van lid 3, voldoen elektriciteitsproductie-eenheden van het type D aan de in het onderhavige artikel geformuleerde eisen.
2. Elektriciteitsproductie-eenheden van het type D voldoen aan de volgende eisen met betrekking tot spanningsstabiliteit:
a) wat het spanningsbereik betreft:
i) onverlet het in artikel 14, lid 3, onder a), bepaalde en het hieronder in lid 3, onder a), bepaalde is een elektriciteitsproductie-eenheid in staat met het netwerk verbonden en in bedrijf te blijven binnen de bandbreedte van de netspanning op het aansluitpunt, uitgedrukt als de spanning op het aansluitpunt gerelateerd aan de referentiespanning 1 pu en voor de tijdsperiodes als gespecificeerd in de tabellen 6.1 en 6.2;
ii) de relevante TSB kan kortere perioden vaststellen waarin elektriciteitsproductie-eenheden in staat zijn met het netwerk verbonden te blijven in het geval van gelijktijdige overspanning en onderfrequentie of gelijktijdige onderspanning en overfrequentie;
iii) ongeacht het bepaalde in punt i) kan de relevante TSB in Spanje eisen dat elektriciteitsproductie-eenheden voor een onbeperkte periode met het netwerk verbonden te blijven in de spanningsband tussen 1,05 pu en 1,0875 pu;
iv) voor het netspanningsniveau van 400 kV (doorgaans ook het 380 kV-niveau genoemd) is de referentiespanning 1 pu 400 kV; voor andere netspanningsniveaus kan de referentiespanning 1 pu verschillen voor elke systeembeheerder in dezelfde synchrone zone;
v) onverlet het bepaalde in punt i) kunnen de relevante TSB's in de synchrone zone van de Baltische staten van elektriciteitsproductie-eenheden eisen dat zij op het netwerk van 400 kV aangesloten blijven binnen de grenzen van het spanningsbereik en gedurende de bedrijfsperiodes die gelden voor de synchrone zone van Continentaal Europa;
Tabel 6.1
Synchrone zone
Spanningsbereik
Bedrijfsperiode
Continentaal Europa
0,85 pu - 0,90 pu
60 minuten
0,90 pu - 1,118 pu
Onbeperkt
1,118 pu - 1,15 pu
Te specificeren door elke TSB, maar niet korter dan 20 minuten en niet langer dan 60 minuten
Noord-Europa
0,90 pu - 1,05 pu
Onbeperkt
1,05 pu - 1,10 pu
60 minuten
Groot-Brittannië
0,90 pu - 1,10 pu
Onbeperkt
Ierland en Noord-Ierland
0,90 pu - 1,118 pu
Onbeperkt
Baltische staten
0,85 pu - 0,90 pu
30 minuten
0,90 pu - 1,118 pu
Onbeperkt
1,118 pu - 1,15 pu
20 minuten
De tabel toont de minimumperiodes waarin een elektriciteitsproductie-eenheid in staat moet zijn om bij spanningen die afwijken van de referentie 1 pu-waarde op het aansluitpunt in bedrijf te blijven zonder ontkoppeld te worden van het netwerk, wanneer de spanningsbasis voor pu-waarden tussen 110 kV (inclusief) en 300 kV (exclusief) ligt.
Tabel 6.2
Synchrone zone
Spanningsbereik
Bedrijfsperiode
Continentaal Europa
0,85 pu - 0,90 pu
60 minuten
0,90 pu - 1,05 pu
Onbeperkt
1,05 pu - 1,10 pu
Door elke TSB te specificeren, maar niet minder dan 20 minuten en niet meer dan 60 minuten
Noord-Europa
0,90 pu - 1,05 pu
Onbeperkt
1,05 pu - 1,10 pu
Door elke TSB te specificeren, maar niet meer dan 60 minuten
Groot-Brittannië
0,90 pu - 1,05 pu
Onbeperkt
1,05 pu - 1,10 pu
15 minuten
Ierland en Noord-Ierland
0,90 pu - 1,05 pu
Onbeperkt
Baltische staten
0,88 pu - 0,90 pu
20 minuten
0,90 pu - 1,097 pu
Onbeperkt
1,097 pu - 1,15 pu
20 minuten
De tabel toont de minimumperiodes waarin een elektriciteitsproductie-eenheid in staat moet zijn om, bij spanningen die afwijken van de referentie 1 pu-waarde op het aansluitpunt, in bedrijf te blijven zonder ontkoppeld te worden van het netwerk wanneer de spanningsbasis voor pu-waarden tussen 300 kV (inclusief) en 400 kV ligt.
b) grotere spanningsbanden en langere minimumbedrijfsperiodes kunnen worden overeengekomen tussen de relevante systeembeheerder en de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie in overleg met de relevante TSB. Wanneer grotere spanningsbanden of langere bedrijfsperiodes in economische en technische zin haalbaar zijn, weigert de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie niet op onredelijke gronden een overeenkomst;
c) onverlet het onder a) bepaalde kan de relevante systeembeheerder in overleg met de relevante TSB de spanningen op het aansluitpunt specificeren waarbij de elektriciteitsproductie-eenheid in staat is zich automatisch van het net te ontkoppelen. De voorwaarden en instellingen voor automatische ontkoppeling worden overeengekomen tussen de relevante systeembeheerder en de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie.
3. Elektriciteitsproductie-eenheden van het type D voldoen aan de volgende eisen op het gebied van robuustheid:
a) wat de fault-ride-through-capaciteit betreft:
i) de productie-eenheden zijn in staat om met het systeem verbonden te blijven en stabiel bedrijf voort te zetten nadat het systeem verstoord is geweest door een volgens de bedrijfsfilosofie afgeschakelde fout. Die capaciteit is, wat de door de relevante TSB gespecificeerde storingsvoorwaarden betreft, in overeenstemming met het spanning-tijd-profiel op het aansluitpunt.
Het spanning-tijd-profiel is een weergave van de benedengrens van het feitelijk verloop van de gekoppelde spanning op het niveau van de netspanning op het aansluitpunt gedurende een symmetrische storing, als een functie van de tijd vóór, tijdens en na een storing.
Die benedengrens wordt door de relevante TSB vastgesteld met gebruikmaking van de parameters van figuur 3 en binnen het in de tabellen 7.1 en 7.2 gegeven bereik voor productie-eenheden van het type D die zijn aangesloten op of boven het 110 kV-niveau.
Die benedengrens wordt door de relevante TSB ook vastgesteld met gebruikmaking van de parameters van figuur 3 en binnen het in de tabellen 3.1 en 3.2 gegeven bereik voor productie-eenheden van het type D die zijn aangesloten beneden het 110 kV-niveau;
ii) elke TSB specificeert de condities vóór en na een storing voor de in punt iv) van artikel 14, lid 3, onder a), bedoelde fault-ride-through-capaciteit. De vastgestelde condities vóór en na de storing voor de fault-ride-through-capaciteit worden openbaar gemaakt;
Tabel 7.1
Parameters voor figuur 3 voor de fault-ride-through-capaciteit van synchrone elektriciteitsproductie-eenheden
Spanningsparameters [pu]
Tijdsparameters [seconden]
Uret
0
tclear
0,14 - 0,15 (of 0,14 -0,25 indien de systeembeveiliging en het veilig bedrijf dit vereisen)
Uclear
0,25
trec1
tclear - 0,45
Urec1
0,5 - 0,7
trec2
trec1 - 0,7
Urec2
0,85 - 0,9
trec3
trec2 - 1,5
Tabel 72
Parameters voor figuur 3 voor de fault-ride-through-capaciteit van power park modules
Spanningsparameters [pu]
Tijdsparameters [seconden]
Uret
0
tclear
0,14 - 0,15 (of 0,14 -0,25 indien de systeembeveiliging en het veilig bedrijf dit vereisen)
Uclear
Uret
trec1
tclear
Urec1
Uclear
trec2
trec1
Urec2
0,85
trec3
1,5 - 3,0
b) op verzoek van de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie verstrekt de relevante systeembeheerder de condities vóór en na de storing waarmee rekening wordt gehouden bij de fault-ride-through-capaciteit als resultaat van de berekeningen op het aansluitpunt als gespecificeerd in artikel 14, lid 3, onder a), iv), met betrekking tot:
i) het minimumkortsluitvermogen op elk aansluitpunt vóór de storing, uitgedrukt in MVA;
ii) het bedrijfspunt van de elektriciteitsproductie-eenheid vóór de storing, uitgedrukt als opgewekt werkzaam en blindvermogen op het aansluitpunt, en de spanning op het aansluitpunt, en
iii) het minimumkortsluitvermogen op elk aansluitpunt na de storing, uitgedrukt in MVA;
c) de fault-ride-through-capaciteit in het geval van asymmetrische storingen wordt door elke TSB gespecificeerd.
4. Elektriciteitsproductie-eenheden van het type D voldoen aan de volgende algemene eisen qua systeembeheer:
a) bij het opstarten van de productie-eenheid wordt de synchronisatie door de eigenaar van de productie-installatie uitsluitend uitgevoerd na toestemming van de relevante systeembeheerder;
b) de productie-eenheid wordt uitgerust met de noodzakelijke synchronisatieapparatuur;
c) de synchronisatie van de productie-eenheden is mogelijk bij frequenties binnen het in tabel 2 gegeven bereik;
d) de relevante systeembeheerder en de eigenaar van de productie-installatie bereiken overeenstemming over de synchronisatieapparatuur voordat met de exploitatie van de productie-eenheid wordt begonnen. Deze overeenstemming heeft betrekking op:
i) de spanning;
ii) de frequentie;
iii) het fasehoekbereik;
iv) de fasesequentie;
v) de afwijking van spanning en frequentie.