Art. 21 Verordening (EU) 2016/631, Eisen voor power park modules van het type C
1. Power park modules van het type C voldoen aan de eisen van artikel 13, behalve wat artikel 13, lid 2, onder b), en lid 6 betreft, artikel 14, behalve wat artikel 14, lid 2, betreft, artikel 15 en artikel 20, behalve wat artikel 20, lid 2, onder a), betreft, tenzij anderszins bepaald in lid 3, onder d).
2. Power park modules van het type C voldoen aan de volgende aanvullende eisen qua frequentiestabiliteit:
a) de relevante TSB kan specificeren dat power park modules in staat zijn synthetische inertie te leveren gedurende zeer snelle frequentieafwijkingen;
b) het werkingsprincipe van de regelsystemen die zijn geïnstalleerd om synthetische inertie te leveren en de daarmee verband houdende prestatieparameters worden gespecificeerd door de relevante TSB.
3. Power park modules van het type C voldoen aan de volgende aanvullende eisen qua spanningsstabiliteit:
a) wat de capaciteit voor het leveren van blindvermogen betreft, kan de relevante systeembeheerder de levering van extra blindvermogen eisen wanneer het aansluitpunt van de power park module noch gelegen is op de hoogspanningsaansluiting van de machinetransformator naar het spanningsniveau van het aansluitpunt, noch op de convertorklemmen als er geen machinetransformator wordt gebruikt. Dit aanvullend blindvermogen moet de vraag om blindvermogen van de hoogspanningslijn of -kabel tussen de hoogspanningsklemmen van de machinetransformator van de power park module, of de convertorklemmen daarvan als geen machinetransformator bestaat, en het aansluitpunt compenseren en wordt geleverd door de eigenaar van die hoogspanningslijn of -kabel;
b) wat de capaciteit voor het leveren van blindvermogen bij maximumcapaciteit betreft:
i) de relevante systeembeheerder stelt in overleg met de relevante TSB de eisen inzake de capaciteit voor het leveren van blindvermogen in de context van variërende spanning vast. Daarvoor definieert hij een U-Q/Pmax-profiel dat elke vorm kan aannemen binnen de grenzen waarbinnen de power park module in staat is blindvermogen bij zijn maximumcapaciteit te leveren;
ii) het U-Q/Pmax-profiel wordt door elke relevante systeembeheerder, in overleg met de relevante TSB, gedefinieerd met inachtneming van de volgende beginselen:
— het U-Q/Pmax-profiel blijft binnen de U-Q/Pmax-envelop, in figuur 8 getoond als de binnenste envelop;
— de dimensies van de U-Q/Pmax-envelop (Q/Pmax-bereik en spanningsbereik) liggen binnen het in tabel 9 gespecificeerde bereik voor elke synchrone zone;
— de positie van de U-Q/Pmax-envelop ligt binnen de grenzen van de in figuur 8 getoonde buitenste envelop, en
— het gespecificeerde U-Q/Pmax-profiel kan elke vorm aannemen, waarbij rekening wordt gehouden met de potentiële kosten van het leveren van capaciteit tot levering van blindvermogen bij hoge spanningen en tot opname van blindvermogen bij lage spanningen;
Figuur 8
U-Q/Pmax-profiel van een power park module
– ,500
– ,600
– ,300
– ,400
– ,200
– ,000
– ,100
,100
,300
,200
Spanningsbereik
Q/PMAX-bereik
Binnenste enveloppe
,850
1,100
V/p.
1,050
1,000
,950
,900
Levering (inductief)
Opname (capacitief)
Q/PMAX
Vaste buitenste eveloppe
,700
,600
,500
,400
Het diagram toont de grenzen van een U-Q/Pmax-profiel bij de spanning op het aansluitpunt, uitgedrukt als de verhouding tussen de feitelijke en de referentie 1 pu-waarde ervan, ten opzichte van de verhouding tussen het blindvermogen (Q) en de maximumcapaciteit (Pmax). De positie, omvang en vorm van de binnenste envelop zijn indicatief.
Tabel 9
Parameters voor de in figuur 8 getoonde binnenste envelop
Synchrone zone
Maximumbereik van Q/Pmax
Maximumbereik van de stationaire spanning, uitgedrukt in pu
Continentaal Europa
0,75
0,225
Noord-Europa
0,95
0,150
Groot-Brittannië
0,66
0,225
Ierland en Noord-Ierland
0,66
0,218
Baltische staten
0,80
0,220
iii) de eis qua capaciteit om blindvermogen te leveren, geldt op het aansluitpunt. Voor andere dan rechthoekige profielvormen geeft het spanningsbereik de hoogste en laagste waarden. Het volledige blindvermogensbereik wordt derhalve niet verwacht beschikbaar te zijn in het gehele spanningsbereik in stationaire toestand;
c) wat de capaciteit voor het leveren van blindvermogen beneden de maximumcapaciteit betreft:
i) specificeert de relevante systeembeheerder, in overleg met de relevante TSB, de capaciteit tot het leveren van blindvermogen en specificeert hij een P-Q/Pmax-profiel dat elke vorm kan aannemen binnen de grenzen waarbinnen de power park module in staat is blindvermogen beneden de maximumcapaciteit te leveren;
ii) wordt het P-Q/Pmax-profiel door elke relevante systeembeheerder, in overleg met de relevante TSB, gespecificeerd met inachtneming van de volgende beginselen:
— het P-Q/Pmax-profiel blijft binnen de P-Q/Pmax-envelop, in figuur 9 getoond als de binnenste envelop;
— het Q/Pmax-bereik van de P-Q/Pmax-envelop is voor elke synchrone zone gespecificeerd in tabel 9;
— het bereik van het werkzaam vermogen van de P-Q/Pmax-envelop bij een blindvermogen van nul is 1 pu;
— het P-Q/Pmax-profiel kan elke vorm aannemen en omvat voorwaarden voor de capaciteit om blindvermogen te leveren bij een werkzaam vermogen van nul, en
— de positie van de P-Q/Pmax-envelop ligt binnen de grenzen van de in figuur 9 getoonde buitenste envelop;
iii) wanneer in bedrijf bij een opgewekt werkzaam vermogen beneden de maximumcapaciteit (P<Pmax), is de power park module in staat blindvermogen te leveren op elk bedrijfspunt binnen zijn P-Q/Pmax-profiel indien alle elektriciteitsproducerende eenheden van de power park module technisch beschikbaar zijn, dat wil zeggen niet buiten bedrijf zijn ten gevolge van onderhoud of een defect; anders kan de capaciteit voor het leveren van blindvermogen lager liggen, waarbij rekening wordt gehouden met de technische beschikbaarheid;
Figuur 9
P-Q/Pmax-profiel van een power park module
Binnenste enveloppe
Q/PMAX-bereik
overbekrachtigd
onderbekrachtigd
,700
,600
,500
,400
,300
,100
,200
– ,000
– ,100
– ,200
– ,300
– ,400
– ,500
– ,600
Levering (inductief)
Opname (capacitief)
,100
,000
,200
,300
,500
,400
,600
,700
,800
,900
Buitenste enveloppe
Q/PMAX
1,000
P/p.u.
Het diagram toont de grenzen van een P-Q/Pmax-profiel op het aansluitpunt bij het werkzaam vermogen, uitgedrukt als de verhouding tussen de feitelijke waarde ervan en de maximale capaciteit per eenheid (pu), ten opzichte van de verhouding tussen het blindvermogen (Q) en de maximumcapaciteit (Pmax). De positie, omvang en vorm van de binnenste envelop zijn indicatief.
iv) de power park module is in staat om binnen passende tijdsperiodes over te gaan tot elk bedrijfspunt binnen zijn P-Q/Pmax-profiel in de richting van de gewenste waarden, zoals gevraagd door de relevante systeembeheerder;
d) wat de regelmodi voor het blindvermogen betreft:
i) de power park module is in staat om automatisch blindvermogen te leveren in spannings-regelmodus of blindvermogen-regelmodus of arbeidsfactor-regelmodus;
ii) ten behoeve van de spannings-regelmodus, is de power park module in staat bij te dragen tot de spanningsregeling op het aansluitpunt door uitwisseling van blindvermogen met het netwerk te faciliteren met een spanningsreferentiewaarde van 0,95 tot en met 1,05 pu in stappen van maximaal 0,01 pu, met een helling met een bereik van minimaal 2 % tot en met 7 % in stappen van maximaal 0,5 %. Het opgewekte blindvermogen bedraagt nul wanneer de netspanning op het aansluitpunt gelijk is aan de spanningsreferentiewaarde;
iii) de referentiewaarde kan met of zonder een dode band bedreven worden. De dode band is selecteerbaar binnen een bereik van nul tot ± 5 % van de referentienetwerkspanning 1 pu in stappen van maximaal 0,5 %;
iv) na een stapverandering van de spanning, is de power park module in staat een verandering van 90 % in opgewekt blindvermogen te bereiken binnen een door de relevante systeembeheerder te bepalen tijd t1 in het bereik van 1 tot en met 5 seconden, en kan het blindvermogen van de module zich stabiliseren op de door de helling bepaalde waarde binnen een door de relevante systeembeheerder te bepalen tijd t2, in het bereik van 5 tot en met 60 seconden, met een tolerantie van het blindvermogen in stationaire toestand van ten hoogste 5 % van het maximale blindvermogen. De relevante systeembeheerder stelt de tijden vast;
v) ten behoeve van de blindvermogen-regelmodus, is de power park module in staat om de referentiewaarde voor het blindvermogen binnen het volledige bereik van het blindvermogen in te stellen, als gespecificeerd in artikel 20, lid 2, onder a), en artikel 21, lid 3, onder a) en b), met instelstappen van maximaal 5 MVAr of 5 % (naargelang wat de laagste waarde is) van het totale blindvermogen, waarbij het blindvermogen op het aansluitpunt wordt geregeld tot een nauwkeurigheid van plus of minus 5 MVAr of plus of minus 5 % (naargelang wat de laagste waarde is) van het totale blindvermogen;
vi) ten behoeve van de arbeidsfactor-regelmodus, is de power park module in staat om de arbeidsfactor op het aansluitpunt te regelen binnen het vereiste blindvermogensbereik, door de relevante systeembeheerder vastgesteld overeenkomstig artikel 20, lid 2, onder a), of artikel 21, lid 3, onder a) en b), met een gewenste waarde van de arbeidsfactor in stappen van maximaal 0,01. De relevante systeembeheerder specificeert de gewenste waarde van de arbeidsfactor, de desbetreffende tolerantie en de tijdsperiode voor het bereiken van de gewenste waarde van de arbeidsfactor na een abrupte verandering van het werkzame vermogen. De tolerantie van de gewenste waarde van de arbeidsfactor wordt uitgedrukt door middel van de tolerantie van het desbetreffende blindvermogen. Deze tolerantie van het blindvermogen wordt uitgedrukt als absolute waarde of als percentage van het maximale blindvermogen van de power park module;
vii) de relevante systeembeheerder specificeert, in overleg met de relevante TSB en de eigenaar van de power park module, welke van de drie bovenstaande opties voor de blindvermogen-regelmodus en welke daarmee verbonden referentiewaarden van toepassing zijn, en welke aanvullende apparatuur vereist is om de aanpassing van de desbetreffende referentiewaarde op afstand te kunnen uitvoeren;
e) wat betreft het bepalen van de prioriteit van de bijdrage van het werkzaam dan wel het blindvermogen specificeert de relevante TSB of de bijdrage van het werkzaam vermogen dan wel van het blindvermogen prioriteit krijgt gedurende storingen waarbij fault-ride-through-capaciteit vereist is. Indien prioriteit wordt gegeven aan de bijdrage van het werkzaam vermogen, is de levering daarvan gerealiseerd binnen een tijd van maximaal 150 ms na het begin van de storing;
f) wat de controle van de demping van vermogensoscillaties betreft, is een power park module in staat bij te dragen tot het dempen van vermogensoscillaties indien dit is gespecificeerd door de relevante TSB. De regelkenmerken voor spanning en blindvermogen van een power park module mogen geen negatief effect hebben op het dempen van vermogensoscillaties.