Art. 14 Verordening (EU) 2016/631, Algemene eisen voor elektriciteitsproductie-eenheden van het type B
1. Elektriciteitsproductie-eenheden van het type B voldoen aan de eisen van artikel 13, behalve wat artikel 13, lid 2, onder b), betreft.
2. Elektriciteitsproductie-eenheden van het type B voldoen aan de volgende eisen qua frequentiestabiliteit:
a) om het opgewekte werkzame vermogen te sturen, wordt de elektriciteitsproductie-eenheid uitgerust met een interface (ingangspoort) om het mogelijk te maken om na een instructie van de ingangspoort het opgewekte werkzame vermogen te verminderen, en
b) de relevante systeembeheerder kan de eisen vast te stellen voor extra apparatuur die het mogelijk maakt het opgewekte werkzame vermogen op afstand te sturen.
3. Elektriciteitsproductie-eenheden van het type B voldoen aan de volgende eisen op het gebied van robuustheid:
a) wat de fault-ride-through-capaciteit van elektriciteitsproductie-eenheden betreft:
i) elke TSB specificeert op het aansluitpunt een spanning-tijd-profiel met betrekking tot storingscondities volgens het model van figuur 3, waarin de omstandigheden worden omschreven waaronder de elektriciteitsproductie-eenheid in staat is met het netwerk verbonden en op stabiele wijze in bedrijf te blijven nadat het elektrisch systeem is verstoord door volgens de bedrijfsfilosofie afgeschakelde fouten in het transmissiesysteem;
ii) het spanning-tijd-profiel is een weergave van de benedengrens van het feitelijk verloop van de gekoppelde spanning op netspanningsniveau op het aansluitpunt gedurende een symmetrische storing, als een functie van de tijd vóór, tijdens en na de storing;
iii) de in punt ii) bedoelde benedengrens wordt door de relevante TSB vastgesteld met gebruikmaking van de parameters van figuur 3 en ligt binnen het in de tabellen 3.1 en 3.2 gegeven bereik;
iv) elke TSB specificeert en publiceert de condities vóór en na een storing voor de fault-ride-through-capaciteit wat betreft:
— de berekening van het minimumkortsluitvermogen op het aansluitpunt vóór de storing;
— het werkzaam en blindvermogen van het bedrijfspunt van de elektriciteitsproductie-eenheid op het aansluitpunt vóór de storing en de spanning op het aansluitpunt, en
— de berekening van het minimumkortsluitvermogen op het aansluitpunt na de storing.
v) op verzoek van de eigenaar van een elektriciteitsproductie-installatie verstrekt de relevante systeembeheerder de condities vóór en na de storing waarmee rekening moet worden gehouden bij de fault-ride-through-capaciteit als resultaat van de berekeningen op het aansluitpunt als gespecificeerd in punt iv) met betrekking tot:
— het minimumkortsluitvermogen in elk aansluitpunt na de storing, uitgedrukt in MVA;
— het bedrijfspunt van de elektriciteitsproductie-eenheid vóór de storing, uitgedrukt als opgewerkt werkzaam en blindvermogen op het aansluitpunt, en de spanning op het aansluitpunt, en
— het minimumkortsluitvermogen in elk aansluitpunt na de storing, uitgedrukt in MVA.
Als alternatief kan de relevante systeembeheerder generieke waarden verstrekken die zijn afgeleid uit gelijkwaardige situaties;
Figuur 3
Fault-ride-through-profiel van een elektriciteitsproductie-eenheid
t/sec
trec2
trec3
trec1
0
tclear
Uret
Uclear
Urec1
Urec2
1.0
U/p.u.
Het diagram is een weergave van de benedengrens van een spanning-tijd-profiel van de spanning op het aansluitpunt, uitgedrukt als de verhouding tussen feitelijke waarde en de referentie 1 pu-waarde daarvan vóór, tijdens en na de storing. Uret is de restspanning tijdens een storing op het aansluitpunt; tclear is het tijdstip waarop de storing is afgeschakeld; Urec1, Urec2, trec1, trec2 en trec3 specificeren bepaalde punten van benedengrenzen van spanningsherstel na oplossen van de storing.
Tabel 3.1
Parameters voor figuur 3 voor de fault-ride-through-capaciteit van synchrone elektriciteitsproductie-eenheden
Spanningsparameters [per unit (pu)]
Tijdsparameters [seconden]
Uret
0,05 - 0,3
tclear
0,14 - 0,15 (of 0,14 -0,25 indien de systeembeveiliging en het veilig bedrijf dit vereisen)
Uclear
0,7 - 0,9
trec1
tclear
Urec1
Uclear
trec2
trec1 - 0,7
Urec2
0,85 - 0,9 en ≥ Uclear
trec3
trec2 - 1,5
Tabel 3.2
Parameters voor figuur 3 voor de fault-ride-through-capaciteit van power park modules
Spanningsparameters [per unit (pu)]
Tijdsparameters [seconden]
Uret
0,05 - 0,15
tclear
0,14 - 0,15 (of 0,14 - 0,25 indien de systeembeveiliging en het veilig bedrijf dit vergen)
Uclear
Uret - 0,15
trec1
tclear
Urec1
Uclear
trec2
trec1
Urec2
0,85
trec3
1,5 - 3,0
vi) de elektriciteitsproductie-eenheid is in staat om op het netwerk aangesloten en op stabiele wijze in bedrijf te blijven wanneer het feitelijk verloop van de gekoppelde spanningen op netspanningsniveau op het aansluitpunt gedurende een symmetrische storing, gegeven de condities vóór en na de storing als bedoeld in de punten iv) en v) van lid 3, onder a), boven de benedengrens blijft als gespecificeerd in punt ii) van lid 3, onder a), tenzij het beveiligingsconcept voor interne elektrische storingen een ontkoppeling van de elektriciteitsproductie-eenheid van het netwerk vereisen. De beveiligingsconcepten en -instellingen voor interne elektrische storingen mogen de fault-ride-through-prestaties niet negatief beïnvloeden;
vii) onverlet het bepaalde in punt vi) van lid 3, onder a), wordt de onderspanningsbeveiliging (de fault-ride-through-capaciteit of een voor het aansluitpunt vastgestelde minimumspanning) ingesteld door de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie overeenkomstig de ruimste technische mogelijkheden van de elektriciteitsproductie-eenheid, tenzij de relevante systeembeheerder strengere instellingen vereist overeenkomstig lid 5, onder b). De instellingen worden door de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie onderbouwd volgens dit beginsel;
b) de fault-ride-through-capaciteit in het geval van asymmetrische storingen wordt door elke TSB vastgesteld.
4. Elektriciteitsproductie-eenheden van het type B voldoen aan de volgende eisen met betrekking tot systeemherstel:
a) de relevante TSB specificeert de voorwaarden waaronder een elektriciteitsproductie-eenheid weer met het netwerk gekoppeld mag worden nadat het daarvan ten gevolge van een netwerkstoring is ontkoppeld, en
b) de installatie van automatische inschakelapparatuur gebeurt onder voorwaarde van zowel voorafgaande toestemming door de relevante systeembeheerder als inachtneming van de door de relevante TSB vastgestelde inschakelvoorwaarden.
5. Elektriciteitsproductie-eenheden van het type B voldoen aan de volgende algemene eisen qua systeembeheer:
a) wat de besturingssystemen en -instellingen betreft:
i) de systemen en instellingen van de verschillende regelapparatuur van de elektriciteitsproductie-eenheid die vereist zijn voor de stabiliteit van het transmissiesysteem en voor het nemen van noodmaatregelen, worden gecoördineerd en overeengekomen tussen de relevante TSB, de relevante systeembeheerder en de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie;
ii) alle wijzigingen van de in punt i) bedoelde systemen en instellingen van de verschillende regelapparatuur van de elektriciteitsproductie-eenheid worden gecoördineerd en overeengekomen tussen de relevante TSB, de relevante systeembeheerder en de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie, met name wanneer zij gelden voor de in het bovenstaande punt i) bedoelde omstandigheden;
b) wat de elektrische beveiligingsconcepten en -instellingen betreft:
i) de relevante systeembeheerder stelt de beveiligingsconcepten en -instellingen vast die vereist zijn ter beveiliging van het netwerk, rekening houdend met de kenmerken van de elektriciteitsproductie-eenheid. De beveiligingsconcepten voor de elektriciteitsproductie-eenheid en het netwerk, alsmede de instellingen die relevant zijn voor de elektriciteitsproductie-eenheid, worden gecoördineerd en overeengekomen tussen de relevante systeembeheerder en de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie. De beveiligingsconcepten en -instellingen voor interne elektrische storingen mogen de prestaties van de elektriciteitsproductie-eenheid overeenkomstig de eisen van deze verordening niet negatief beïnvloeden;
ii) de elektrische beveiliging van de elektriciteitsproductie-eenheid heeft voorrang op de operationele sturing, rekening houdend met de beveiliging van het systeem en de gezondheid en veiligheid van het personeel en het publiek, alsook met de beperking van schade aan de elektriciteitsproductie-eenheid;
iii) de beveiligingsconcepten kunnen betrekking hebben op de volgende aspecten:
— externe en interne kortsluiting;
— asymmetrische belasting (invers fasesysteem);
— stator- en rotoroverbelasting;
— onder- en overbekrachtiging;
— over-/onderspanning op het aansluitpunt;
— over-/onderspanning op de draaistroomgeneratoraansluitklemmen;
— inter-area-oscillaties;
— inschakelstroom;
— asynchroon bedrijf („poolslip”);
— bescherming tegen onaanvaardbare torsie van de as (bijvoorbeeld subsynchrone resonantie);
— zonebeveiliging van een elektriciteitsproductie-eenheid;
— beveiliging van de machinetransformator;
— back-up tegen defect van beveiligings- en schakelmateriaal;
— overfluxing (U/f);
— terugwatt;
— frequentiegradiënt, en
— verschuiving van de sterpuntspanning.
iv) wijzigingen van de voor de elektriciteitsproductie-eenheid en het netwerk vereiste beveiligingsconcepten en van de instellingen die relevant zijn voor de elektriciteitsproductie-eenheid, worden, vóórdat dergelijke wijzigingen worden aangebracht, overeengekomen tussen de systeembeheerder en de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie;
c) de eigenaar van een elektriciteitsproductie-installatie organiseert de beveiliging van de installatie en van de regelapparatuur ervan overeenkomstig de volgende rangorde van prioriteit (van hoog naar laag):
i) beveiliging van het netwerk en de elektriciteitsproductie-eenheid;
ii) synthetische inertie, indien van toepassing;
iii) frequentieregeling (aanpassing van het werkzaam vermogen);
iv) vermogensbeperking, en
v) beperkingen van de vermogensgradiënt.
d) wat de uitwisseling van informatie betreft:
i) elektriciteitsproductie-installaties zijn in staat informatie uit te wisselen met de relevante systeembeheerder of de relevante TSB in realtime, dan wel periodiek met tijdstempel, als gespecificeerd door de relevante systeembeheerder of de relevante TSB;
ii) de relevante systeembeheerder, in overleg met de relevante TSB, omschrijft de inhoud van de uit te wisselen informatie, inclusief een nauwkeurige lijst van de door de elektriciteitsproductie-installatie te verstrekken gegevens.