Art. 13 Verordening (EU) 2016/631, Algemene eisen voor elektriciteitsproductie-eenheden van het type A
1. Elektriciteitsproductie-eenheden van het type A voldoen qua frequentiestabiliteit aan de volgende eisen:
a) Wat de frequentieband betreft:
i) een elektriciteitsproductie-eenheid is in staat om op het netwerk aangesloten en in bedrijf te blijven binnen de in tabel 2 opgegeven frequentiebanden en tijdsperiodes;
ii) de relevante systeembeheerder, in overleg met de relevante TSB, en de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie kunnen overeenstemming bereiken over bredere frequentiebanden en langere minimumbedrijfsperiodes of specifieke eisen voor gecombineerde frequentie- en spanningsafwijkingen om de beste benutting van de technische mogelijkheden van een elektriciteitsproductie-eenheid te waarborgen wanneer dit vereist is om de systeemveiligheid in stand te houden of te herstellen;
iii) de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie weigert niet op onredelijke gronden zijn toestemming om bredere frequentiebanden of langere minimumtijdsperiodes voor bedrijf toe te passen, waarbij rekening wordt gehouden met de economische en technische haalbaarheid daarvan.
b) Wat de ongevoeligheid voor frequentiegradiënt betreft, is een elektriciteitsproductie-eenheid in staat op het net aangesloten en in bedrijf te blijven bij frequentiegradiënten tot een door de relevante TSB vastgestelde waarde, tenzij ontkoppeling werd geïnitieerd door de frequentiegradiëntsbeveiliging. In overleg met de relevante TSB legt de relevante systeembeheerder deze frequentiegradiëntsbeveiliging vast.
Tabel 2
Minimumperiodes gedurende welke een elektriciteitsproductie-eenheid in staat moet zijn om zonder ontkoppeling van het netwerk in bedrijf te blijven op verschillende van de nominale waarde afwijkende frequenties.
Synchrone zone
Frequentieband
Bedrijfsperiode
Continentaal Europa
47,5 Hz - 48,5 Hz
Vast te stellen door elke TSB, maar niet korter dan 30 minuten
48,5 Hz - 49,0 Hz
Vast te stellen door elke TSB, maar niet korter dan de periode voor 47,5 Hz - 48,5 Hz
49,0 Hz - 51,0 Hz
Onbeperkt
51,0 Hz - 51,5 Hz
30 minuten
Noord-Europa
47,5 Hz - 48,5 Hz
30 minuten
48,5 Hz - 49,0 Hz
Vast te stellen door elke TSB, maar niet korter dan 30 minuten
49,0 Hz - 51,0 Hz
Onbeperkt
51,0 Hz - 51,5 Hz
30 minuten
Groot-Brittannië
47,0 Hz - 47,5 Hz
20 seconden
47,5 Hz - 48,5 Hz
90 minuten
48,5 Hz - 49,0 Hz
Vast te stellen door elke TSB, maar niet korter dan 90 minuten
49,0 Hz - 51,0 Hz
Onbeperkt
51,0 Hz - 51,5 Hz
90 minuten
51,5 Hz - 52,0 Hz
15 minuten
Ierland en Noord-Ierland
47,5 Hz - 48,5 Hz
90 minuten
48,5 Hz - 49,0 Hz
Vast te stellen door elke TSB, maar niet korter dan 90 minuten
49,0 Hz - 51,0 Hz
Onbeperkt
51,0 Hz - 51,5 Hz
90 minuten
Baltische staten
47,5 Hz - 48,5 Hz
Vast te stellen door elke TSB, maar niet korter dan 30 minuten
48,5 Hz - 49,0 Hz
Vast te stellen door elke TSB, maar niet korter dan de periode voor 47,5 Hz - 48,5 Hz
49,0 Hz - 51,0 Hz
Onbeperkt
51,0 Hz - 51,5 Hz
Vast te stellen door elke TSB, maar niet korter dan 30 minuten
2. Voor de gelimiteerde frequentiegevoelige modus — overfrequentie (LFSM-O) geldt het volgende, zoals door de relevante TSB bepaald voor zijn regelzone in overleg met de TSB's van dezelfde synchrone zone om een minimale impact op naburige zones te waarborgen:
a) de elektriciteitsproductie-eenheid is in staat de levering van de frequentierespons voor het werkzaam vermogen te activeren overeenkomstig figuur 1 bij een frequentiedrempelwaarde en statiekinstelling, als gespecificeerd door de relevante TSB;
b) in plaats van de onder a) bedoelde capaciteit kan de relevante TSB ervoor kiezen om binnen zijn regelzone automatische ontkoppeling en opnieuw koppelen toe te staan van elektriciteitsproductie-eenheden van type A op willekeurig, bij voorkeur uniform, verdeelde frequenties, gelegen boven een bepaalde frequentiedrempelwaarde, als bepaald door de relevante TSB wanneer die aan de relevante regulerende instantie en met de samenwerking van de eigenaren van de elektriciteitsproductie-installaties kan aantonen dat dit een beperkt grensoverschrijdende effect zal hebben en eenzelfde niveau van operationele veiligheid in alle systeemtoestanden mogelijk maakt;
c) de frequentiedrempelwaarde ligt tussen 50,2 Hz en 50,5 Hz (inclusief);
d) de statiekinstellingen liggen tussen 2 % en 12 %;
e) de elektriciteitsproductie-eenheid is in staat een frequentie-vermogensrespons te activeren met een zo kort mogelijke initiële vertraging. Als die vertraging langer duurt dan twee seconden, rechtvaardigt de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie die vertraging en levert hij een technische verklaring aan de relevante TSB;
f) de relevante TSB kan eisen dat de elektriciteitsproductie-eenheid bij het bereiken van het minimumregelniveau in staat is om:
i) op dit niveau in bedrijf te blijven, of
ii) het opgewekte werkzame vermogen verder te verminderen;
g) de elektriciteitsproductie-eenheid is in staat op stabiele wijze in bedrijf te blijven in de LFSM-O-bedrijfsmodus. Wanneer LFSM-O actief is, prevaleert de LFSM-O-referentiewaarde boven alle andere referentiewaarden voor het werkzaam vermogen.
Figuur 1
Frequentie-vermogensresponscurve van een elektriciteitsproductie-eenheid tijdens LFSM-O-bedrijf
·
Synchrone elektriciteitsproductie-eenheden:
Pref is de maximumcapaciteit
·
Power park modules:
Pref is het feitelijke gegenereerde werkzame vermogen op het moment dat de LFSM-O-drempelwaarde is bereikt of de maximumcapaciteit, als vastgesteld door de relevante TSB
Pref is het referentie-werkzaam vermogen waaraan ΔΡ is gerelateerd en kan verschillend worden gespecificeerd voor synchrone elektriciteitsproductie-eenheden en voor power park modules. ΔΡ is de verandering van het opgewekte werkzame vermogen van de productie-eenheid. fn is de nominale frequentie (50 Hz) in het netwerk en Δf is de frequentieafwijking in het netwerk. Bij overfrequenties waarbij Δf boven Δf1 ligt, moet de elektriciteitsproductie-eenheid een negatieve verandering van het werkzaam vermogen genereren overeenkomstig de statiek S2.
3. De elektriciteitsproductie-eenheid is in staat een constant uitgangsvermogen te handhaven van het werkzaam vermogen overeenkomstig de gewenste waarde ongeacht frequentieveranderingen, behalve wanneer het uitgangsvermogen de veranderingen volgt als omschreven in de leden 2 en 4 van dit artikel of de punten c) en d) van artikel 15, lid 2, naargelang van toepassing.
4. In zijn regelzone stelt de relevante TSB de bij een dalende frequentie toegestane reductie van het werkzaam vermogen ten opzichte van de maximale productiecapaciteit vast als een karakteristiek gelegen binnen het gebied dat is aangegeven door de lijnen in figuur 2:
a) beneden 49 Hz is de gradiënt 2 % van de maximale capaciteit bij 50 Hz, per frequentiedaling met 1 Hz;
b) beneden 49,5 Hz is de gradiënt 10 % van de maximale capaciteit bij 50 Hz, per frequentiedaling met 1 Hz.
5. De toegestane daling van het werkzaam vermogen binnen het maximaal uitgangsvermogen:
a) geeft duidelijk de van toepassing zijnde omgevingsomstandigheden weer;
b) houdt rekening met de technische mogelijkheden van de productie-eenheden.
Figuur 2
Maximale reductie van de vermogenscapaciteit bij dalende frequentie
Het diagram toont de grenzen waarbinnen de capaciteit door de relevante TSB kan worden vastgesteld.
6. De elektriciteitsproductie-eenheid wordt uitgerust met een logische interface (ingangspoort) waarmee het werkzaam uitgangsvermogen binnen vijf seconden naar nul kan worden gereduceerd nadat een instructie daartoe is ontvangen door de ingangspoort. De relevante systeembeheerder kan eisen voor de apparatuur vast te stellen waarmee deze functie op afstand kan worden bestuurd.
7. De relevante TSB stelt de voorwaarden vast waaronder een elektriciteitsproductie-eenheid in staat is zich automatisch aan het netwerk te koppelen. Deze voorwaarden omvatten:
a) frequentiebanden waarbinnen een automatische koppeling aanvaardbaar is, en de desbetreffende vertragingstijd, en
b) de maximale toegestane gradiënt van toename van het opgewekte werkzame vermogen.
Automatische koppeling is toegestaan tenzij anderszins besloten door de relevante systeembeheerder in overleg met de relevante TSB.