Art. 7 Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/63, Relatief gewicht van elke risicopijler en -indicator

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/63

1. Bij de beoordeling van het risicoprofiel van elke instelling past de afwikkelingsautoriteit de volgende gewichten op de risicopijlers toe:

a) risicoblootstelling: 50 %;

b) stabiliteit en diversiteit van de financieringsbronnen: 20 %;

c) belang van een instelling voor de stabiliteit van het financiële stelsel of de economie: 10 %;

d) door de afwikkelingsautoriteit te bepalen aanvullende risico-indicatoren: 20 %.

2. De risico-indicatoren die de afwikkelingsautoriteiten beoordelen om de pijler „risicoblootstelling” te bepalen, hebben het volgende relatieve gewicht:

a) door de instelling bovenop het MREL aangehouden eigen vermogen en in aanmerking komende passiva: 25 %;

b) de hefboomratio: 25 %;

c) de tier1-kernkapitaalratio: 25 %;

d) het verhoudingsgetal tussen de totale risicoblootstelling en de totale activa: 25 %.

3. Elke risico-indicator van de pijler „stabiliteit en diversiteit van de financieringsbronnen” heeft hetzelfde gewicht.

4. De risico-indicatoren die de afwikkelingsautoriteiten beoordelen om de pijler „door de afwikkelingsautoriteit te bepalen aanvullende risico-indicatoren” te bepalen, hebben het volgende relatieve gewicht:

a) handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid: 45 %;

b) lidmaatschap van een institutioneel protectiestelsel: 45 %;

c) omvang van eerdere buitengewone openbare financiële steun: 10 %.

Bij de toepassing van de onder b) vermelde indicator houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met het relatieve gewicht van de onder a) vermelde indicator.

Vorige artikelen

Volgende artikelen