Art. 5 Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/63, Risicoaanpassing van de jaarlijkse basisbijdrage

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/63

1. Bij de berekening van de in artikel 103, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde bijdragen worden de volgende passiva buiten beschouwing gelaten:

a) de passiva binnen de groep welke voortvloeien uit transacties die een instelling heeft gesloten met een instelling die van dezelfde groep deel uitmaakt, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

i) elke instelling is in de Unie gevestigd;

ii) elke instelling valt volledig onder hetzelfde toezicht op geconsolideerde basis in overeenstemming met de artikelen 6 tot en met 17 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en is onderworpen aan passende gecentraliseerde risicobeoordelings-, risicometings- en risicocontroleprocedures; en

iii) er zijn geen feitelijke of juridische belemmeringen van wezenlijk belang aanwezig of te voorzien die een onmiddellijke terugbetaling van de passiva op de vervaldag kunnen verhinderen;

b) de passiva die zijn gecreëerd door een instelling die lid is van een institutioneel protectiestelsel („IPS”) als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 8, van Richtlijn 2014/59/EU, en die van de bevoegde autoriteit de toestemming heeft gekregen artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 toe te passen via een overeenkomst die is aangegaan met een andere instelling die lid is van hetzelfde IPS;

c) in geval van een centrale tegenpartij die is gevestigd in een lidstaat die van de bij artikel 14, lid 5, van Verordening (EU) nr. 648/2012 geboden mogelijkheid heeft gebruikgemaakt, de passiva die verband houden met clearingactiviteiten als omschreven in artikel 2, lid 3, van genoemde verordening, met inbegrip van die welke voortvloeien uit enigerlei maatregelen die de centrale tegenpartij in overeenstemming met genoemde verordening neemt om aan marginvereisten te voldoen, een wanbetalingsfonds op te zetten en voldoende voorgefinancierde financiële middelen ter beschikking te houden om potentiële verliezen te dekken in het kader van een trapsgewijze dekking van verliezen bij wanbetaling, alsook om haar financiële middelen in overeenstemming met artikel 47 van genoemde verordening te beleggen;

d) in geval van een centrale effectenbewaarinstelling, de passiva die met de activiteiten van een centrale effectenbewaarinstelling verband houden, met inbegrip van verplichtingen jegens deelnemers of dienstverleners aan de centrale effectenbewaarinstelling met een looptijd van minder dan zeven dagen welke voortvloeien uit activiteiten waarvoor zij in overeenstemming met titel IV van Verordening (EU) nr. 909/2014 een vergunning heeft verkregen om bancaire nevendiensten te verrichten, maar exclusief andere passiva die uit dergelijke bancaire activiteiten voortvloeien;

e) in geval van beleggingsondernemingen, de passiva die voortvloeien uit het aanhouden van activa of gelden van cliënten, met inbegrip van activa of gelden van cliënten die worden aangehouden namens icbe's als omschreven in artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad (13), dan wel beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen als omschreven in artikel 4, lid 1, onder a), van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad (14), mits de cliënten in kwestie bescherming genieten uit hoofde van de toepasselijke insolventiewetgeving;

f) in geval van instellingen die stimuleringsleningen verstrekken, de verplichtingen van de bemiddelende instelling jegens de initiërende of een andere ontwikkelingsbank, dan wel een andere bemiddelende instelling, en de verplichtingen van de oorspronkelijke ontwikkelingsbank jegens de partijen die haar financieren, voor zover tegenover het bedrag van die verplichtingen stimuleringsleningen van de instelling in kwestie staan.

2. De in lid 1, onder a) en b), bedoelde passiva worden gelijkmatig per transactie afgetrokken van het bedrag van de totale passiva van de instellingen die partij zijn bij de in lid 1, onder a) en b), bedoelde transacties of overeenkomsten.

3. Voor de toepassing van deze afdeling wordt het op kwartaalbasis berekende jaarlijkse gemiddelde bedrag van de in lid 1 bedoelde passiva die uit derivatencontracten voortvloeien, gewaardeerd in overeenstemming met artikel 429, leden 6 en 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

De waarde die wordt toegerekend aan passiva die uit derivatencontracten voortvloeien, mag echter niet minder bedragen dan 75 % van de waarde van dezelfde passiva welke resulteert uit de toepassing van de boekhoudkundige voorschriften die met het oog op de financiële verslaglegging op de betrokken instelling van toepassing zijn.

Indien er op grond van de nationale standaarden voor jaarrekeningen die op een instelling van toepassing zijn, voor bepaalde derivaten geen boekwaarde van de blootstelling voorhanden is omdat deze instrumenten buiten de balans worden aangehouden, rapporteert de instelling aan de afwikkelingsautoriteit de som van de positieve reële waarden van de derivaten in kwestie als de vervangingskosten en telt zij deze op bij de boekwaarde van de posten binnen de balanstelling.

4. Voor de toepassing van deze afdeling omvatten de in lid 1 bedoelde totale passiva niet de boekwaarde van passiva die uit derivatencontracten voortvloeien, maar wel de conform lid 3 bepaalde overeenkomstige waarde.

5. Om te verifiëren of aan alle in de leden 1 tot en met 4 bedoelde voorwaarden is voldaan, baseert de afwikkelingsautoriteit zich op de door de bevoegde autoriteiten verrichte desbetreffende toetsingen die overeenkomstig artikel 90 van Richtlijn 2014/59/EU beschikbaar worden gesteld.

Verwijst naar

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen