Art. 10 Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/63, Jaarlijkse bijdragen van kleine instellingen
Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/63
1. Instellingen waarvan de totale passiva, minus eigen vermogen en gedekte deposito's, ten hoogste 50 000 000 EUR bedragen en waarvan de totale activa minder dan 1 000 000 000 EUR belopen, betalen voor elke bijdrageperiode een forfaitair bedrag van 1 000 EUR als jaarlijkse bijdrage.
2. Instellingen waarvan de totale passiva, minus eigen vermogen en gedekte deposito's, meer dan 50 000 000 EUR maar ten hoogste 100 000 000 EUR bedragen en waarvan de totale activa minder dan 1 000 000 000 EUR belopen, betalen voor elke bijdrageperiode een forfaitair bedrag van 2 000 EUR als jaarlijkse bijdrage.
3. Instellingen waarvan de totale passiva, minus eigen vermogen en gedekte deposito's, meer dan 100 000 000 EUR maar ten hoogste 150 000 000 EUR bedragen en waarvan de totale activa minder dan 1 000 000 000 EUR belopen, betalen voor elke bijdrageperiode een forfaitair bedrag van 7 000 EUR als jaarlijkse bijdrage.
4. Instellingen waarvan de totale passiva, minus eigen vermogen en gedekte deposito's, meer dan 150 000 000 EUR maar ten hoogste 200 000 000 EUR bedragen en waarvan de totale activa minder dan 1 000 000 000 EUR belopen, betalen voor elke bijdrageperiode een forfaitair bedrag van 15 000 EUR als jaarlijkse bijdrage.
5. Instellingen waarvan de totale passiva, minus eigen vermogen en gedekte deposito's, meer dan 200 000 000 EUR maar ten hoogste 250 000 000 EUR bedragen en waarvan de totale activa minder dan 1 000 000 000 EUR belopen, betalen voor elke bijdrageperiode een forfaitair bedrag van 26 000 EUR als jaarlijkse bijdrage.
6. Instellingen waarvan de totale passiva, minus eigen vermogen en gedekte deposito's, meer dan 250 000 000 EUR maar ten hoogste 300 000 000 EUR bedragen en waarvan de totale activa minder dan 1 000 000 000 EUR belopen, betalen voor elke bijdrageperiode een forfaitair bedrag van 50 000 EUR als jaarlijkse bijdrage.
7. Onverminderd lid 8 geldt dat als de instelling voldoende bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat het in de leden 1 tot en met 6 vermelde forfaitaire bedrag hoger is dan het in overeenstemming met artikel 5 berekende bedrag van de bijdrage, de afwikkelingsautoriteit het laagste bedrag toepast.
8. In afwijking van de leden 1 tot en met 6 kan een afwikkelingsautoriteit een met redenen omkleed besluit vaststellen waarin is bepaald dat een instelling een risicoprofiel heeft dat niet in verhouding staat tot de geringe omvang ervan, en de artikelen 5, 6, 7, 8 en 9 op die instelling toepassen. Dat besluit is gebaseerd op de volgende criteria:
a) het bedrijfsmodel van een instelling;
b) de overeenkomstig artikel 14 door de betrokken instelling verstrekte informatie;
c) de in artikel 6 vermelde risicopijlers en -indicatoren;
d) de beoordeling door de bevoegde autoriteit van het risicoprofiel van de betrokken instelling.
9. De leden 1 tot en met 8 zijn niet van toepassing op de instellingen waarvan de totale passiva, minus eigen vermogen en gedekte deposito's, ten hoogste 300 000 000 EUR bedragen nadat de in artikel 5, lid 1, bedoelde passiva zijn uitgesloten.
10. De in artikel 5, lid 1, bedoelde uitsluitingen worden niet in aanmerking genomen bij de toepassing van de leden 1 tot en met 9 op instellingen waarvan de totale passiva, minus eigen vermogen en gedekte deposito's, ten hoogste 300 000 000 EUR bedragen voordat de in artikel 5, lid 1, bedoelde passiva zijn uitgesloten.