Art. 6 Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/63, Risicopijlers en -indicatoren
Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/63
1. De afwikkelingsautoriteit beoordeelt het risicoprofiel van instellingen op basis van de volgende vier risicopijlers:
a) risicoblootstelling;
b) stabiliteit en diversiteit van de financieringsbronnen;
c) belang van een instelling voor de stabiliteit van het financiële stelsel of de economie;
d) door de afwikkelingsautoriteit te bepalen aanvullende risico-indicatoren.
2. De pijler „risicoblootstelling” omvat de volgende risico-indicatoren:
a) door de instelling bovenop het MREL aangehouden eigen vermogen en in aanmerking komende passiva;
b) de hefboomratio;
c) de tier1-kernkapitaalratio;
d) het verhoudingsgetal tussen de totale risicoblootstelling en de totale activa.
3. De pijler „stabiliteit en diversiteit van de financieringsbronnen” omvat de volgende risico-indicatoren:
a) de nettostabielefinancieringsratio;
b) de liquiditeitsdekkingsratio.
4. De pijler „belang van een instelling voor de stabiliteit van het financiële stelsel of de economie” omvat de indicator „aandeel in de interbancaire leningen en deposito's in de Europese Unie, wat het belang van de instelling voor de economie van de lidstaat van vestiging weergeeft”.
5. De pijler „door de afwikkelingsautoriteit te bepalen aanvullende risico-indicatoren” omvat de volgende indicatoren:
a) handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid;
b) lidmaatschap van een institutioneel protectiestelsel;
c) omvang van eerdere buitengewone openbare financiële steun.
Bij de beoordeling van de diverse risico-indicatoren die tot de pijler „door de afwikkelingsautoriteit te bepalen aanvullende risico-indicatoren” behoren, houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met het belang van die indicatoren in het licht van de waarschijnlijkheid dat de betrokken instelling in afwikkeling komt te verkeren en van de daaruit voortvloeiende waarschijnlijkheid dat de instelling van de afwikkelingsfinancieringsregeling gebruikmaakt wanneer zij wordt afgewikkeld.
6. Bij de bepaling van de in lid 5, onder a), vermelde indicatoren „handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid” houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met de volgende elementen:
a) de verhoging van het risicoprofiel van de instelling als gevolg van:
i) het belang van de handelsactiviteiten in verhouding tot het balanstotaal, het niveau van het eigen vermogen, het risicogehalte van de blootstellingen en het algehele bedrijfsmodel;
ii) het belang van de blootstellingen buiten de balanstelling in verhouding tot het balanstotaal, het niveau van het eigen vermogen en het risicogehalte van de blootstellingen;
iii) het belang van het bedrag aan derivaten in verhouding tot het balanstotaal, het niveau van het eigen vermogen, het risicogehalte van de blootstellingen en het algehele bedrijfsmodel;
iv) in hoeverre het bedrijfsmodel en de organisatiestructuur van een instelling overeenkomstig titel II, hoofdstuk II, van Richtlijn 2014/59/EU als complex kunnen worden aangemerkt;
b) de verlaging van het risicoprofiel van de instelling als gevolg van:
i) het relatieve bedrag aan derivaten dat via een centrale tegenpartij (CTP) wordt gecleard;
ii) in hoeverre een instelling overeenkomstig titel II, hoofdstuk II, van Richtlijn 2014/59/EU snel en zonder juridische belemmeringen kan worden afgewikkeld.
7. Bij de beoordeling van de in lid 5, onder b), vermelde indicator houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met de volgende elementen:
a) of de omvang van de middelen die onverwijld voor zowel herkapitalisatie als liquiditeitsfinanciering beschikbaar zijn ter ondersteuning van de getroffen instelling ingeval er zich problemen voordoen, groot genoeg is om een geloofwaardige en effectieve ondersteuning van de betrokken instelling mogelijk te maken;
b) in hoeverre er juridische of contractuele zekerheid wordt geboden dat de onder a) bedoelde middelen volledig zullen worden opgebruikt voordat eventueel om buitengewone openbare steun wordt verzocht.
8. De in lid 5, onder c), vermelde risico-indicator neemt de in stap 3 van bijlage I vermelde maximumwaarde van de waardeschaal aan voor:
a) een instelling die deel uitmaakt van een groep die wordt geherstructureerd na overheidsmiddelen of daaraan gelijkwaardige middelen, zoals die van een afwikkelingsfinancieringsregeling, te hebben ontvangen en die nog steeds in de herstructurerings- of liquidatiefase verkeert, behalve tijdens de laatste twee jaar van de uitvoering van het herstructureringsplan;
b) een instelling die wordt geliquideerd, tot het einde van het liquidatieplan (voor zover de instelling er nog toe gehouden is de bijdrage te betalen).
Voor alle andere instellingen neemt de risico-indicator de in stap 3 van bijlage I vermelde minimumwaarde van de waardeschaal aan.
9. Voor de toepassing van de leden 6, 7 en 8 baseert de afwikkelingsautoriteit zich op de door de bevoegde autoriteiten verrichte toetsingen, voor zover deze beschikbaar zijn.