Art. 50, Termijnen in geval van overmacht
1. Dit artikel is van toepassing wanneer in een specifieke verordening ernaar verwezen wordt.
2. Een verzoek om erkenning van een geval van overmacht is niet ontvankelijk indien de bevoegde autoriteit dit later ontvangt dan dertig kalenderdagen na:
a) de datum waarop de bevoegde autoriteit de marktdeelnemer in kennis heeft gesteld van de vastgestelde niet-nakoming van de betrokken verplichting als bedoeld in artikel 23, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014, het verstrijken van de termijn voor nakoming van de betrokken verplichting als bedoeld in artikel 23, lid 3, van die verordening, of het verstrijken van de termijn voor overlegging van het bewijs van nakoming van de betrokken verplichting als bedoeld in artikel 23, lid 4, van die verordening;
b) de termijn voor indiening van offertes in een derde land waar de betrokken inschrijving gekoppeld is aan een certificaat met vaststelling vooraf van de uitvoerrestitutie.
3. De marktdeelnemers leveren uiterlijk 181 kalenderdagen na het verstrijken van de periode waarin de verplichting volledig moet zijn nagekomen, ten genoegen van de bevoegde autoriteit het bewijsmateriaal voor de omstandigheden die zij als overmacht beschouwen. De marktdeelnemers kunnen extra tijd krijgen indien zij al het nodige hebben gedaan om dit materiaal te verkrijgen en in te dienen, maar desondanks het bewijsmateriaal niet binnen die termijn kunnen leveren.
4. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de gevallen van overmacht die zij hebben erkend en verstrekken voor elk geval de ter zake relevante informatie.