Art. 55 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014, Verbeuren van de zekerheid

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014

1. Wanneer de bevoegde autoriteit op de hoogte is van omstandigheden die tot volledige of gedeeltelijke verbeurdverklaring van de zekerheid leiden, eist zij onverwijld dat de betrokkene het bedrag van de verbeurde zekerheid betaalt binnen een maximumtermijn van dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de eis tot betaling is ontvangen.

Wanneer de betaling niet binnen die voorgeschreven termijn is verricht, moet de bevoegde autoriteit:

a) onverwijld de in artikel 51, lid 1, onder a), bedoelde zekerheid innen;

b) onverwijld eisen dat de in artikel 51, lid 1, onder b), bedoelde borg tot betaling overgaat binnen een maximumtermijn van dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de eis tot betaling is ontvangen;

c) onverwijld de nodige maatregelen nemen:

i) om de in artikel 51, lid 2, onder b) en c), bedoelde zekerheden om te zetten in een geldbedrag dat toereikend is om het verschuldigde bedrag te dekken;

ii) om de in artikel 51, lid 2, onder a), bedoelde kasdeposito’s te innen.

De bevoegde autoriteit kan, zonder vooraf van de betrokkene betaling te eisen, onverwijld de in artikel 51, lid 1, onder a), bedoelde vormen van zekerheid innen.

2. Onverminderd lid 1 geldt het volgende:

a) wanneer het besluit tot verbeuring van een zekerheid is genomen, maar achteraf wegens een beroep op grond van het nationaal recht wordt opgeschort, betaalt de betrokkene over het werkelijk verbeurde bedrag rente over de periode die dertig dagen na de ontvangst van de in lid 1, bedoelde eis tot betaling ingaat en op de dag vóór die waarop het werkelijk verbeurde bedrag wordt betaald, eindigt;

b) wanneer als gevolg van de uitkomst van een beroepsprocedure de betrokkene wordt verzocht het verbeurde bedrag te betalen binnen 30 dagen, mag de lidstaat er voor de berekening van de rente van uitgaan dat de betaling plaatsvindt op de twintigste dag na dit verzoek;

c) de toe te passen rente wordt berekend overeenkomstig nationaal recht, maar mag in geen geval lager zijn dan die welke bij de terugvordering van bedragen in nationaal verband wordt toegepast;

d) de betaalorganen brengen de betaalde rente in mindering op de uitgaven van de Fondsen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1306/2013;

e) de lidstaten kunnen voor de betrokken rente geregeld aanvulling van de zekerheid eisen.

3. Wanneer een zekerheid is verbeurd en het bedrag reeds ten gunste van de Fondsen is gecrediteerd en, volgens de uitkomst van een beroepsprocedure, het verbeurde bedrag geheel of gedeeltelijk moet worden terugbetaald, met inbegrip van de overeenkomstig nationaal recht toegepaste rente, komt het terug te betalen bedrag ten laste van de Fondsen, tenzij het feit dat de zekerheid moet worden terugbetaald te wijten is aan nalatigheid of ernstig verzuim van de overheidsdiensten of andere instanties van de lidstaten.

Vorige artikelen

Volgende artikelen