Art. 51 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014, Vorm
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014
1. Een zekerheid kan worden gesteld:
a) als een deposito in contanten als bedoeld in artikel 19, leden 2 en 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014, en/of
b) door een borg te stellen overeenkomstig artikel 21 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014.
2. De bevoegde autoriteit kan bepalen dat de zekerheid ook kan worden gesteld via:
a) het verpanden van deposito’s in contanten bij een bank;
b) het verpanden van erkende vorderingen op overheidsinstanties of staatsfondsen, op voorwaarde dat zij opeisbaar en betaalbaar zijn en daarop geen andere vordering voorrang heeft, en/of
c) het verpanden van een in de betrokken lidstaat verhandelbaar onderpand, op voorwaarde dat de lidstaat dit als zekerheid verstrekt of waarborgt.
3. De bevoegde autoriteit kan aanvullende voorwaarden stellen voor het aanvaarden van in lid 2 bedoelde zekerheden.