Art. 52 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014, Verhandelbaar onderpand
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014
1. Een onderpand dat overeenkomstig artikel 51, lid 2, onder c), wordt verpand, heeft op het ogenblik waarop de zekerheid wordt gesteld, een realiseerbare waarde die overeenkomt met ten minste 115 % van de waarde van de vereiste zekerheid.
2. Een bevoegde autoriteit mag een in artikel 51, lid 2, onder c), bedoelde zekerheid alleen aanvaarden wanneer de partij die deze zekerheid aanbiedt, zich er schriftelijk toe verbindt hetzij te zorgen voor een aanvullende zekerheid, hetzij de oorspronkelijke zekerheid te vervangen, wanneer de realiseerbare waarde van de zekerheid in kwestie gedurende drie maanden beneden 105 % van de vereiste zekerheid ligt. Deze schriftelijke verbintenis is niet vereist als de nationale wetgeving dit reeds voorschrijft. De bevoegde autoriteit moet de waarde van dergelijke zekerheden regelmatig toetsen.
3. De realiseerbare waarde van een in artikel 51, lid 2, onder c), bedoelde zekerheid wordt bepaald door de bevoegde autoriteit met inachtneming van de voorziene kosten van realisatie.
4. De realiseerbare waarde van de zekerheid wordt op basis van de laatst beschikbare notering bepaald.
5. De partij die de zekerheid levert, dient op verzoek van de bevoegde autoriteit het bewijs van de realiseerbare waarde ervan.