Art. 40 Verordening (EU) nr. 702/2014, Steun voor infrastructuurinvesteringen voor de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van de bosbouwsector

Verordening (EU) nr. 702/2014

1. Steun voor infrastructuurinvesteringen voor de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van de bosbouwsector die wordt verleend aan ondernemingen die in de bosbouwsector actief zijn, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, onder (c), van het Verdrag en vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag als hij voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in de leden 2 tot en met 9 van dit artikel en in hoofdstuk I.

2. De steun:

a) wordt in het kader van een plattelandsontwikkelingsprogramma overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1305/2013 en de krachtens die verordening door de Commissie vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen toegekend:

i) als steun die uit het Elfpo wordt gecofinancierd, of

ii) als aanvullende nationale financiering bij de onder (i) genoemde steun,

en

b) is identiek aan de onderliggende maatregel voor plattelandsontwikkeling in het onder (a) bedoelde plattelandsontwikkelingsprogramma.

3. In de rechtsgrondslag van de steun wordt vermeld dat de steun niet mag worden ingevoerd voordat de Commissie het betrokken plattelandsontwikkelingsprogramma heeft goedgekeurd.

4. De investering moet in overeenstemming zijn met de wetgeving van de Unie en met de nationale milieubeschermingswetgeving van de betrokken lidstaat. Steun voor investeringen waarvoor krachtens Richtlijn 2011/92/EU een milieueffectbeoordeling moet worden uitgevoerd, wordt slechts toegekend op voorwaarde dat die beoordeling is uitgevoerd en de vergunning voor het betrokken investeringsproject is verleend vóór de datum van de toekenning van de individuele steun.

5. De steun dient voor investeringen in materiële en immateriële activa die betrekking hebben op infrastructuur voor de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van bossen, met inbegrip van:

a) de toegankelijkheid van bosgrond;

b) ruilverkaveling en grondverbetering;

c) water- en energievoorziening.

6. De steun dekt de volgende in aanmerking komende kosten:

a) de kosten van de bouw, verwerving, inclusief leasing, of verbetering van onroerende goederen, waarbij grond alleen in aanmerking komt voor zover de kosten daarvan niet hoger zijn dan 10 % van de totale in aanmerking komende kosten van de betrokken concrete actie;

b) de kosten van de koop of huurkoop van machines en uitrusting, tot maximaal de marktwaarde van de activa;

c) algemene kosten in verband met de onder (a) en (b) bedoelde uitgaven, zoals voor het inschakelen van architecten, ingenieurs en adviseurs en voor advies over ecologische en economische duurzaamheid, met inbegrip van haalbaarheidsstudies; haalbaarheidsstudies blijven in aanmerking komen, zelfs wanneer op basis van de resultaten daarvan geen uitgaven uit hoofde van het bepaalde onder (a) en (b) worden gemaakt;

d) de aankoop of ontwikkeling van computersoftware en de verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en handelsmerken;

e) kosten van de opstelling van bosbeheerplannen en gelijkwaardige instrumenten.

7. Andere dan de in lid 6, onder (a) en (b), bedoelde kosten in verband met een leasingcontract, zoals de marge voor de leasinggever, kosten van de herfinanciering van rente, overheadkosten en verzekeringspremies worden niet als in aanmerking komende kosten beschouwd.

Werkkapitaal wordt niet beschouwd als subsidiabele kosten.

8. Voor niet-productieve investeringen, investeringen die uitsluitend gericht zijn op de verbetering van de ecologische waarde van bossen, en investeringen voor boswegen die gratis voor het publiek toegankelijk zijn en ten dienste staan van de multifunctionaliteit van de bossen, bedraagt de steunintensiteit ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten.

9. De steunintensiteit voor investeringen die het economisch potentieel van de bossen op korte of lange termijn verbeteren, bedraagt ten hoogste:

a) 75 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten van investeringen in de ultraperifere gebieden;

b) 75 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten van investeringen op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee;

c) 50 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten van investeringen in de minder ontwikkelde regio's en in alle regio's met een bbp per inwoner voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013 van minder dan 75 % van het gemiddelde van de EU-25 voor de referentieperiode, maar met een bbp per inwoner van meer dan 75 % van het gemiddelde bbp van de EU-27;

d) 40 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten van investeringen in andere gebieden.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen