Art. 44 Verordening (EU) nr. 702/2014, Steun voor investeringen in verband met de verwerking van landbouwproducten tot niet-landbouwproducten of de katoenproductie

Verordening (EU) nr. 702/2014

1. Aan kmo's toegekende steun voor investeringen in verband met de verwerking van landbouwproducten tot niet-landbouwproducten of de katoenproductie, met inbegrip van egreneren, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, onder (c), van het Verdrag en vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag als hij voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in de leden 2 tot en met 10 van dit artikel en in hoofdstuk I.

2. De steun:

a) wordt in het kader van een plattelandsontwikkelingsprogramma overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1305/2013 en de krachtens die verordening door de Commissie vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen toegekend:

i) als steun die uit het Elfpo wordt gecofinancierd, of

ii) als aanvullende nationale financiering bij de onder (i) genoemde steun,

en

b) is identiek aan de onderliggende maatregel voor plattelandsontwikkeling in het onder (a) bedoelde plattelandsontwikkelingsprogramma.

3. In de rechtsgrondslag van de steun wordt vermeld dat de steun niet mag worden ingevoerd voordat de Commissie het betrokken plattelandsontwikkelingsprogramma heeft goedgekeurd.

4. Investeringen in verband met de productie van biobrandstoffen of energie uit hernieuwbare bronnen komen niet in aanmerking voor steun uit hoofde van dit artikel.

5. De investering moet in overeenstemming zijn met de wetgeving van de Unie en met de nationale milieubeschermingswetgeving van de betrokken lidstaat. Steun voor investeringen waarvoor krachtens Richtlijn 2011/92/EU een milieueffectbeoordeling moet worden uitgevoerd, wordt slechts toegekend op voorwaarde dat die beoordeling is uitgevoerd en de vergunning voor het betrokken investeringsproject is verleend vóór de datum van de toekenning van de individuele steun.

6. De steun dekt de kosten van investeringen in materiële activa en immateriële activa.

7. De steun dekt de volgende in aanmerking komende kosten:

a) de kosten van de bouw, verwerving, inclusief leasing, of verbetering van onroerende goederen, waarbij grond alleen in aanmerking komt voor zover de kosten daarvan niet hoger zijn dan 10 % van de totale in aanmerking komende kosten van de betrokken concrete actie;

b) de kosten van de koop of huurkoop van machines en uitrusting, tot maximaal de marktwaarde van de activa;

c) algemene kosten in verband met de onder (a) en (b) bedoelde uitgaven, zoals voor het inschakelen van architecten, ingenieurs en adviseurs en voor advies over ecologische en economische duurzaamheid, met inbegrip van haalbaarheidsstudies; haalbaarheidsstudies blijven in aanmerking komen, zelfs wanneer op basis van de resultaten daarvan geen uitgaven uit hoofde van het bepaalde onder (a) en (b) worden gemaakt;

d) de aankoop of ontwikkeling van computersoftware en de verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en handelsmerken;

8. Andere dan de in lid 7, onder (a) en (b), bedoelde kosten in verband met een leasingcontract, zoals de marge voor de leasinggever, kosten van de herfinanciering van rente, overheadkosten en verzekeringspremies worden niet als in aanmerking komende kosten beschouwd.

Werkkapitaal wordt niet beschouwd als subsidiabele kosten.

9. De steunintensiteit mag niet groter zijn dan:

a) in de ultraperifere gebieden:

i) 80 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten van investeringen in regio's waarvan het bbp per inwoner hoogstens 45 % van het EU-27-gemiddelde bedraagt;

ii) 65 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten van investeringen in regio's waarvan het bbp per inwoner minimaal 45 % en maximaal 60 % van het EU-27-gemiddelde bedraagt;

iii) 55 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten van investeringen in regio's waarvan het bbp per inwoner minimaal 60 % en maximaal 75 % van het EU-27-gemiddelde bedraagt;

iv) 45 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten van investeringen in andere ultraperifere gebieden;

b) in de minder ontwikkelde regio's:

i) 60 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten van investeringen in regio's waarvan het bbp per inwoner hoogstens 45 % van het EU-27-gemiddelde bedraagt;

ii) 45 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten van investeringen in regio's waarvan het bbp per inwoner minimaal 45 % en maximaal 60 % van het EU-27-gemiddelde bedraagt;

iii) 35 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten van investeringen in regio's waarvan het bbp per inwoner meer dan 60 % van het EU-27-gemiddelde bedraagt;

c) in c-gebieden:

i) 25 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten van investeringen in dunbevolkte gebieden en in NUTS 3-regio's of delen van NUTS 3-regio's die een landsgrens delen met een land buiten de Europese Economische Ruimte of de Europese Vrijhandelsassociatie;

ii) 20 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten van investeringen in niet vooraf vastliggende c-gebieden;

iii) in de voormalige a-gebieden mogen de steunintensiteiten in de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2017 met hoogstens 5 procentpunten worden verhoogd;

iv) als een c-gebied grenst aan een a-gebied, mag de maximale steunintensiteit in de NUTS 3-regio's of delen van NUTS 3-regio's binnen dat c-gebied die grenzen aan het a-gebied, zo nodig worden verhoogd zodat het verschil in steunintensiteit tussen de beide gebieden niet meer dan 15 procentpunten bedraagt;

d) 10 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten voor investeringen in alle andere gebieden.

10. De in lid 9 vastgestelde maximale steunintensiteiten mogen met ten hoogste 10 procentpunten worden verhoogd voor kleine en micro-ondernemingen.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen