Art. 45 Verordening (EU) nr. 702/2014, Aanloopsteun voor niet-landbouwactiviteiten in plattelandsgebieden
1. Aan kmo's toegekende aanloopsteun voor niet-landbouwactiviteiten in plattelandsgebieden is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, onder (c), van het Verdrag en vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag als hij voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in de leden 2 tot en met 9 van dit artikel en in hoofdstuk I.
2. De steun:
a) wordt in het kader van een plattelandsontwikkelingsprogramma overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1305/2013 en de krachtens die verordening door de Commissie vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen toegekend:
i) als steun die uit het Elfpo wordt gecofinancierd, of
ii) als aanvullende nationale financiering bij de onder (i) genoemde steun,
en
b) is identiek aan de onderliggende maatregel voor plattelandsontwikkeling in het onder (a) bedoelde plattelandsontwikkelingsprogramma.
3. In de rechtsgrondslag van de steun wordt vermeld dat de steun niet mag worden ingevoerd voordat de Commissie het betrokken plattelandsontwikkelingsprogramma heeft goedgekeurd.
4. Er wordt steun toegekend aan de volgende categorieën begunstigden:
a) landbouwers of leden van een landbouwhuishouden in plattelandsgebieden die diversifiëren naar niet-agrarische activiteiten;
b) kleine en micro-ondernemingen in plattelandsgebieden, en
c) natuurlijke personen in plattelandsgebieden.
5. Als het in lid 4, onder (a), bedoelde lid van een landbouwhuishouden een rechtspersoon of een groep rechtspersonen is, moet dit lid op het tijdstip dat de steunaanvraag wordt ingediend, een landbouwactiviteit op het landbouwbedrijf uitoefenen.
6. De steun wordt slechts verleend als aan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat een bedrijfsplan wordt voorgelegd. De uitvoering van dat bedrijfsplan gaat uiterlijk negen maanden na de datum van het besluit tot steunverlening van start.
Het bedrijfsplan bevat de volgende gegevens:
a) de economische beginsituatie van de begunstigde;
b) mijlpalen en streefcijfers voor de ontwikkeling van de nieuwe activiteiten van de begunstigde;
c) nadere gegevens over de acties die vereist zijn voor de ontwikkeling van de activiteiten van de begunstigde, zoals gegevens over investeringen, opleidingen en advies.
7. De steun wordt betaald in ten minste twee tranches over een periode van maximaal vijf jaar.
De tranches kunnen degressief zijn.
De laatste tranche wordt slechts betaald als het in lid 6 bedoelde bedrijfsplan correct is uitgevoerd.
8. De lidstaten stellen het bedrag van de steun vast en houden daarbij rekening met de sociaaleconomische toestand in het gebied waarop het plattelandsontwikkelingsprogramma van toepassing is.
9. De steun bedraagt ten hoogste 70 000 EUR per begunstigde.