HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:205
Medeplegen invoer vanuit Spanje en aanwezig hebben van hennep, art. 3.A en 3.C Opiumwet. Exceptie o.b.v. Unierecht. Stelt Unierecht grenzen aan strafbaarheid o.g.v. nationale wetgeving van lidstaat (i.c. Opiumwet) van invoeren en aanwezig hebben van hennep (i) die gekweekt is met zaad van rassen die vermeld staan in gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen van EU (gecertificeerd zaad) en/of (ii) waarvan THC-gehalte niet hoger is dan drempelwaarde (voorheen 0,2% en naar huidig recht 0,3%), terwijl volgens wetgeving van lidstaat waar hennep werd geteeld die teelt legaal was? HR stelt prejudiciële vragen aan HvJ EU en geeft i.v.m. lopende strafzaken voorlopig besliskader voor strafrechter. HR komt tot (voorlopig) oordeel dat, ongeacht of rechtstreekse betaling (subsidie) is aangevraagd voor investeringen in teelt van betreffende hennep, strafbaarstelling van art. 11 jo. 3 Opiumwet van aanwezig hebben en invoer van hennep alleen buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met Unierecht als: (1) teelt van hennep is aangemeld bij een door lidstaat daartoe aangewezen instantie, met inachtneming van voorschriften die op dat moment gelden m.b.t. moment dat aanmelding moet plaatsvinden en gegevens en documenten die daarbij moeten worden verstrekt, (2) bij teelt gebruik is gemaakt van gecertificeerd zaad, (3) wat betreft moment van oogst is voldaan aan teelteis dat (behoudens in Unierecht voorziene uitzonderingssituaties) pas 10 dagen na einde van bloei mag worden geoogst om verificatie van THC-gehalte mogelijk te maken en (4) THC-gehalte niet boven drempelwaarde is van 0,3%. HR houdt iedere verdere beslissing aan totdat HvJ EU uitspraak zal hebben gedaan over prejudiciële vragen. Samenhang met 23/01263. CAG (strekking): (partiële) vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl