Art. 276 Verordening (EU) nr. 575/2013, Standaardmethode
1. De instellingen mogen de standaardmethode (SM) uitsluitend gebruiken voor de berekening van de blootstellingswaarde voor otc-derivaten en voor transacties met afwikkeling op lange termijn.
2. Bij de toepassing van de SM berekenen de instellingen voor elk samenstel van verrekenbare transacties afzonderlijk de blootstellingswaarde, zonder inaanmerkingneming van zekerheden, als volgt:
waarbij:
CMV
=
de actuele marktwaarde van de portefeuille van transacties binnen het samenstel van verrekenbare transacties met de tegenpartij, met inaanmerkingneming van zekerheden, waarbij
waarbij:
CMVi
=
de actuele marktwaarde van transactie i;
CMC
=
de actuele marktwaarde van de zekerheid die aan het samenstel van verrekenbare transacties is toegewezen, waarbij
waarbij
CMCl
=
de actuele marktwaarde van zekerheid l;
i
=
de index die verwijst naar de transactie;
l
=
de index die verwijst naar de zekerheid;
j
=
de index die verwijst naar de categorie waartoe het samenstel van afdekkingsinstrumenten behoort.
Hiertoe stemmen de samenstellen van afdekkingsinstrumenten overeen met risicofactoren waarvoor risicoposities met een tegengesteld teken kunnen worden gesaldeerd zodat een netto risicopositie wordt verkregen waarop vervolgens de blootstellingsmaatstaf wordt gebaseerd;
RPTij
=
de uit transactie i voortvloeiende risicopositie met betrekking tot het samenstel van afdekkingsinstrumenten j;
RPClj
=
de uit zekerheid l voortvloeiende risicopositie met betrekking tot het samenstel van afdekkingsinstrumenten j;
CCRMj
=
de CCR-vermenigvuldigingsfactor van tabel 5 met betrekking tot het samenstel van afdekkingsinstrumenten j;
β
=
1,4.
3. Voor de berekening overeenkomstig lid 2 geldt het volgende:
a) toelaatbare zekerheden die van een tegenpartij worden ontvangen, hebben een positief teken; zekerheden die bij een tegenpartij worden gestort, hebben een negatief teken;
b) voor de SM worden alleen zekerheden gebruikt die toelaatbaar zijn overeenkomstig artikel 197, artikel 198 en artikel 299, lid 2, punt d);
c) een instelling mag voorbijgaan aan het renterisico van betalingsgedeelten met een resterende looptijd van minder dan één jaar;
d) een instelling mag transacties die bestaan uit twee betalingsgedeelten die luiden in dezelfde valuta als één samengevoegde transactie beschouwen. De behandeling voor betalingsgedeelten geldt voor de samengevoegde transactie.