Art. 280 Verordening (EU) nr. 575/2013, Berekening van risicoposities
1. Een instelling bepaalt de omvang en het teken van een risicopositie als volgt:
a) voor alle andere instrumenten dan schuldinstrumenten:
i) als de effectieve notionele waarde in het geval van een transactie met een lineair risicoprofiel;
ii) waarbij:
Pref
=
de prijs van het onderliggend instrument, uitgedrukt in de referentievaluta;
V
=
de waarde van het financieel instrument (in het geval van een optie is de waarde de optieprijs);
p
=
de prijs van het onderliggend instrument, uitgedrukt in dezelfde valuta als V;
b) voor schuldinstrumenten en voor de betalingsgedeelten van alle transacties:
i) als de effectieve notionele waarde vermenigvuldigd met de gewijzigde duration in het geval van een transactie met een lineair risicoprofiel;
ii) waarbij:
V
=
de waarde van het financieel instrument (in het geval van een optie is dit de optieprijs);
r
=
de rentevoet.
Als V wordt uitgedrukt in een andere valuta dan de referentievaluta, wordt het derivaat omgezet in de referentievaluta door vermenigvuldiging met de toepasselijke wisselkoers.
2. De instellingen groeperen de risicoposities in samenstellen van afdekkingsinstrumenten. Voor elk samenstel van afdekkingsinstrumenten wordt het absolute bedrag van de som van de resulterende risicoposities berekend. De netto risicopositie is het resultaat van die berekening en wordt voor de toepassing van artikel 276, lid 2, als volgt berekend: