Art. 273 Verordening (EU) nr. 575/2013, Methoden voor de berekening van de blootstellingswaarde
1. De instellingen bepalen de blootstellingswaarde voor de in bijlage II vermelde contracten op basis van een van in de afdelingen 3 tot en met 6 beschreven methoden, overeenkomstig het onderhavige artikel.
Een instelling die niet in aanmerking komt voor de in artikel 94 beschreven behandeling maakt geen gebruik van de in afdeling 4 beschreven methode. Voor het bepalen van de blootstellingswaarde voor de in bijlage II, punt 3, vermelde contracten maakt een instelling geen gebruik van de in afdeling 4 beschreven methode. De instellingen kunnen binnen een groep de in de afdelingen 3 tot en met 6 beschreven methoden permanent in combinatie gebruiken. Een afzonderlijke instelling mag de in de afdelingen 3 tot en met 6 beschreven methoden niet permanent in combinatie gebruiken, maar dient toestemming te krijgen om de in de afdelingen 3 en 5 beschreven methoden in combinatie te gebruiken als een van de methoden wordt gebruikt voor de gevallen beschreven in artikel 282, lid 6.
2. Mits de bevoegde autoriteiten daartoe overeenkomstig artikel 283, leden 1 en 2, toestemming hebben gegeven, kan een instelling de blootstellingswaarde voor de volgende posten bepalen door de internemodellenmethode van afdeling 6 toe te passen:
a) de in bijlage II vermelde contracten;
b) retrocessietransacties;
c) transacties inzake opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen;
d) margeleningstransacties;
e) transacties met afwikkeling op lange termijn.
3. Indien een instelling protectie in de vorm van een kredietderivaat koopt ter afdekking van een blootstelling in de niet-handelsportefeuille of van een CCR-blootstelling, mag zij haar eigenvermogensvereiste voor de afgedekte blootstelling berekenen overeenkomstig een van beide volgende punten:
a) de artikelen 223 tot en met 236;
b) overeenkomstig artikel 153, lid 3, of artikel 183, indien overeenkomstig artikel 143 toestemming is verleend.
De blootstellingswaarde voor het CCR voor die kredietderivaten is gelijk aan nul, tenzij een instelling de in artikel 299, lid 2, punt h), ii), bedoelde behandeling toepast.
4. Niettegenstaande lid 3 kan een instelling ervoor opteren om voor de berekening van eigenvermogensvereisten voor het tegenpartijkredietrisico consequent rekening te houden met alle niet in de handelsportefeuille opgenomen kredietderivaten die zijn gekocht als protectie voor een blootstelling in de niet-handelsportefeuille of voor een CCR-blootstelling wanneer de kredietprotectie op grond van deze richtlijn wordt erkend.
5. Indien door een instelling verkochte kredietverzuimswaps door een instelling worden behandeld als door die instelling verleende kredietprotectie en voor het volle notionele bedrag onderworpen zijn aan een eigenvermogensvereiste voor kredietrisico van de onderliggende waarde, is de blootstellingswaarde daarvan voor het CCR in de niet-handelsportefeuille gelijk aan nul.
6. In het kader van alle in de afdelingen 3 tot en met 6 beschreven methoden is de blootstellingswaarde voor een bepaalde tegenpartij gelijk aan de som van de blootstellingswaarden die worden berekend voor ieder samenstel van verrekenbare transacties met die tegenpartij.
Voor een bepaalde tegenpartij ligt de blootstellingswaarde voor een bepaald samenstel van verrekenbare transacties met in bijlage II vermelde otc-derivaten, berekend overeenkomstig dit hoofdstuk, tussen nul en het verschil tussen de som van de blootstellingswaarden van alle samenstellen van verrekenbare transacties met de tegenpartij en de som van de CVA voor die tegenpartij die door de instelling als een ondergane afwaardering in aanmerking wordt genomen. Bij de berekening van de aanpassingen van de kredietwaarderingen wordt geen rekening gehouden met enige compenserende aanpassing van de aan het eigen kredietrisico van de instelling toegekende schuldwaarde die reeds van het eigen vermogen wordt uitgesloten overeenkomstig artikel 33, lid 1, punt c).
7. De instellingen bepalen de blootstellingswaarde voor uit transacties met afwikkeling op lange termijn voortvloeiende blootstellingen door een van de in de afdelingen 3 tot en met 6 beschreven methoden toe te passen, ongeacht de methode die door de instelling is gekozen voor de behandeling van otc-derivaten en retrocessietransacties, transacties inzake opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen en margeleningstransacties. Bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor transacties met afwikkeling op lange termijn kan een instelling die de in hoofdstuk 3 beschreven benadering toepast, op permanente basis en ongeacht het wezenlijke karakter van dergelijke posities, de risicogewichten toekennen volgens de in hoofdstuk 2 beschreven benadering.
8. Voor de in de afdelingen 3 en 4 beschreven methoden legt de instelling een consistente methode vast voor het bepalen van het notionele bedrag van de verschillende soorten producten en zorgt zij ervoor dat het in aanmerking te nemen notionele bedrag een geschikte maatstaf is voor het risico dat aan het contract verbonden is. Indien het contract voorziet in een vermenigvuldiging van de kasstromen, wordt het notionele bedrag door een instelling aangepast om rekening te houden met de gevolgen van deze vermenigvuldiging voor de risicostructuur van het betrokken contract.
Voor de in de afdelingen 3 tot en met 6 beschreven methoden behandelen de instellingen transacties waarvoor een specifiek wrongwayrisico is vastgesteld overeenkomstig artikel 291, leden 2, 4, 5 en 6, naar gelang van het geval.