Art. 111 Richtlijn 2013/36/EU, Bepaling van de consoliderende toezichthouder

Richtlijn 2013/36/EU

1. Indien een moederonderneming een moederinstelling in een lidstaat of een EU-moederinstelling is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten die een vergunning hebben verleend.

2. Indien de moederonderneming van een instelling een financiële moederholding of een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten die een vergunning hebben verleend.

3. Indien instellingen waaraan in meer dan één lidstaat vergunning is verleend, dezelfde financiële moederholding, dezelfde gemengde financiële moederholding in een lidstaat, dezelfde financiële EU-moederholding of dezelfde gemengde financiële EU-holding als moederonderneming hebben, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de autoriteiten die bevoegd zijn voor de instelling waaraan vergunning is verleend in de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is opgericht.

Indien moederondernemingen van instellingen waaraan in meer dan één lidstaat vergunning is verleend, meer dan één financiële holding of gemengde financiële holding met hoofdkantoor in diverse lidstaten hebben en zich in elk van deze lidstaten een kredietinstelling bevindt, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de voor de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal bevoegde autoriteit.

4. Indien verscheidene instellingen waaraan in de Unie vergunning is verleend, dezelfde financiële holding of dezelfde gemengde financiële holding als moederonderneming hebben en aan geen van deze instellingen vergunning is verleend in de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is opgericht, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteit die de instelling met het hoogste balanstotaal vergunning heeft verleend; voor de toepassing van deze richtlijn wordt deze instelling als de instelling beschouwd die onder de zeggenschap staat van een financiële EU-moederholding of van een gemengde financiële EU-moederholding.

5. In bijzondere gevallen mogen de bevoegde autoriteiten onderling overeenkomen af te zien van de criteria in de leden 3 en 4 als de toepassing ervan, gelet op de instellingen en op het relatieve belang van de werkzaamheden van die instellingen in verschillende landen, ongepast zou zijn; ze mogen dan een andere bevoegde autoriteit aanwijzen die op geconsolideerde basis toezicht zal houden. In dergelijke gevallen bieden de bevoegde autoriteiten, alvorens een besluit te nemen, de EU-moederinstelling, de financiële EU-moederholding, de gemengde financiële EU-moederholding dan wel de instelling met het hoogste balanstotaal, naargelang het geval, de gelegenheid haar mening ten aanzien van dit besluit kenbaar te maken.

6. Indien de bevoegde autoriteiten in het kader van lid 5 onderling afspraken hebben gemaakt, brengen zij de Commissie en de EBA daarvan op de hoogte.