Art. 113 Richtlijn 2013/36/EU, Gezamenlijke besluiten over instellingsspecifieke prudentiële vereisten

Richtlijn 2013/36/EU

1. De consoliderende toezichthouder en de autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederinstelling, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding in een lidstaat stellen alles in het werk om tot een gezamenlijk besluit te komen over:

a) de toepassing van de artikelen 73 en 97 om uit te maken of het geconsolideerde eigen vermogen van de groep instellingen toereikend is voor haar financiële positie en risicoprofiel en hoeveel eigen vermogen voor de toepassing van artikel 104, lid 1, punt a), voor elke entiteit binnen de groep instellingen en op geconsolideerde basis noodzakelijk is;

b) maatregelen voor het aanpakken van belangrijke aangelegenheden en wezenlijke bevindingen in verband met het liquiditeitstoezicht, met inbegrip van die welke verband houden met de adequaatheid van de organisatie en de behandeling van risico's als vereist uit hoofde van artikel 86, en met de behoefte aan instellingsspecifieke liquiditeitsvereisten overeenkomstig artikel 105 van deze richtlijn.

2. De gezamenlijk besluiten als bedoeld in lid 1 worden genomen:

a) voor de toepassing van lid 1, punt a), binnen vier maanden nadat de consoliderende toezichthouder een verslag met de risicobeoordeling van de groep van instellingen overeenkomstig de artikelen 73 en 97 en artikel 104, lid 1, punt a), bij de andere relevante bevoegde autoriteiten heeft ingediend;

b) voor de toepassing van lid 1, onder b), binnen één maand nadat de consoliderende toezichthouder overeenkomstig de artikelen artikel 86 en 105 een verslag met de beoordeling van het liquiditeitsrisicoprofiel van de groep van instellingen heeft ingediend.

In de gezamenlijke besluiten worden ook naar behoren de risicobeoordelingen in aanmerking genomen die de relevante bevoegde autoriteiten krachtens de artikelen 73 en 97 met betrekking tot dochterondernemingen hebben verricht.

De gezamenlijke besluiten worden op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen en de consoliderende toezichthouder doet dit document aan de EU-moederinstelling toekomen. Bij een geschil raadpleegt de consoliderende toezichthouder op verzoek van een van de andere betrokken bevoegde autoriteiten de EBA. De consoliderende toezichthouder kan de EBA ook op eigen initiatief raadplegen.

3. Als de bevoegde autoriteiten niet binnen de in lid 2 genoemde termijnen tot een gezamenlijk besluit komen, wordt het besluit over de toepassing van de artikelen 73, 86 en 97, artikel 104, lid 1, onder a), en artikel 105 op geconsolideerde basis genomen door de consoliderende toezichthouder nadat hij de door de relevante bevoegde autoriteiten verrichte risicobeoordeling van de dochterondernemingen naar behoren in overweging heeft genomen. Indien een van de betrokken bevoegde autoriteiten aan het einde van één van de in lid 2 bedoelde termijnen de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 naar de EBA heeft verwezen, stelt de consoliderende toezichthouder zijn besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit en neemt hij zijn besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. De in lid 2 bedoelde termijnen worden beschouwd als verzoeningsfasen in de zin van Verordening (EU) nr. 1093/2010. De EBA neemt haar besluit binnen één maand. De zaak wordt niet aan de EBA voorgelegd na het einde van de termijn van vier maanden of de termijn van één maand,als van toepassing, of nadat een gezamenlijk besluit is genomen.

Het besluit over de toepassing van de artikelen 73, 86 en 97, artikel 104, lid 1, onder a), en artikel 105 wordt op individuele of gesubconsolideerde basis genomen door de desbetreffende bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederkredietinstelling, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding, nadat de door de consoliderende toezichthouder geuite standpunten en voorbehouden naar behoren in overweging zijn genomen. Indien een van de betrokken bevoegde autoriteiten aan het einde van een van de in lid 2 bedoelde termijnen de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 naar de EBA heeft verwezen, stellen de bevoegde autoriteiten hun besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit en nemen zij hun besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. De in lid 2 bedoelde termijnen worden beschouwd als verzoeningsperiodes in de zin van genoemde verordening. De EBA neemt haar besluit binnen één maand. De zaak wordt niet aan de EBA voorgelegd na het einde van de termijn van vier maanden of de termijn van één maand,als van toepassing, of nadat een gezamenlijk besluit is genomen.

De besluiten worden op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen en met inachtneming van de gedurende de in lid 2 bedoelde termijnen door de andere bevoegde autoriteiten geuite risicobeoordelingen, standpunten en voorbehouden. De consoliderende toezichthouder doet het document toekomen aan alle betrokken bevoegde autoriteiten en aan de EU-moederinstelling.

Indien de EBA werd geraadpleegd, houden alle bevoegde autoriteiten rekening met haar advies en geven zij de redenen voor elke belangrijke afwijking daarvan.

4. De in lid 1 bedoelde gezamenlijk besluiten en de in lid 3 bedoelde besluiten die de bevoegde autoriteiten hebben genomen bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit, worden als definitief erkend en door de bevoegde autoriteiten in de betrokken lidstaten toegepast.

De in lid 1 bedoelde gezamenlijk besluiten en elk besluit dat overeenkomstig lid 3 bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit is genomen, worden jaarlijks geactualiseerd of, in uitzonderlijke gevallen, indien een bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederinstelling, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding, de consoliderende toezichthouder schriftelijk en met volledige opgaaf van redenen verzoekt het besluit betreffende de toepassing van de artikel 104, lid 1, onder a), en artikel 105 te actualiseren. In dit laatste geval kan de actualisering op bilaterale grondslag worden verricht door de consoliderende toezichthouder en de verzoekende bevoegde autoriteit.

5. De EBA stelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op om te zorgen voor eenvormige toepassingsvoorwaarden voor het in dit artikel bedoelde gezamenlijke besluitvormingsproces, met betrekking tot de toepassing van de artikelen 73, 86 en 97, artikel 104, lid 1, onder a), en artikel 105 met het oog op het faciliteren van gezamenlijke besluiten.

De EBA legt deze ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 juli 2014 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.