Art. 109 Richtlijn 2013/36/EU, Regelingen, processen en mechanismen van instellingen

Richtlijn 2013/36/EU

1. De bevoegde autoriteiten eisen dat de instellingen op individuele basis aan de in afdeling II van dit hoofdstuk vervatte verplichtingen voldoen, tenzij de bevoegde autoriteiten gebruikmaken van de in artikel 7 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vervatte afwijking.

2. De bevoegde autoriteiten eisen dat de moederondernemingen en dochterondernemingen die onder deze richtlijn vallen, op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis aan de in afdeling II van dit hoofdstuk vervatte verplichtingen voldoen, teneinde ervoor te zorgen dat hun uit hoofde van afdeling II van dit hoofdstuk vereiste regelingen, processen en mechanismen samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn en dat alle voor het toezicht relevante gegevens en informatie kunnen worden verstrekt. Zij zorgen er in het bijzonder voor dat onder deze richtlijn vallende moederondernemingen en dochterondernemingen die regelingen, processen en mechanismen toepassen in hun niet onder deze richtlijn vallende dochterondernemingen. Ook deze regelingen, processen en mechanismen zijn samenhangend en goed geïntegreerd, en ook deze dochterondernemingen moeten de voor het toezicht relevante gegevens en informatie kunnen verstrekken.

3. De uit afdeling II van dit hoofdstuk voortvloeiende verplichtingen betreffende dochterondernemingen die zelf niet onder deze richtlijn vallen, zijn niet van toepassing indien de EU-moederinstelling of de instellingen die onder de zeggenschap staan van een financiële EU-moederholding of van een gemengde financiële EU-moederholding ten genoegen van de bevoegde autoriteiten kunnen aantonen dat de toepassing van afdeling II onrechtmatig is volgens de wetten van het derde land waar de dochteronderneming is gevestigd.