Art. 104 Richtlijn 2013/36/EU, Toezichtbevoegdheden
1. Voor de toepassing van artikel 97, artikel 98, lid 4, artikel 101, lid 4, en de artikelen 102 en 103, en voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschikken de bevoegde autoriteiten ten minste over de volgende bevoegdheden:
a) zij kunnen eisen dat de instellingen boven de vereisten als vervat in hoofdstuk 4 van deze titel en in Verordening (EU) nr. 575/2013, eigen vermogen aanhouden in verband met aspecten van risico's en risico's die niet onder artikel 1 van die verordening vallen;
b) zij kunnen eisen van de in overeenkomstig artikelen 73 en 74 in te voeren regelingen, processen, mechanismen en strategieën worden aangescherpt;
c) zij kunnen eisen dat de instellingen een plan presenteren om opnieuw te voldoen aan de toezichtvereisten uit hoofde van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 575/2013, met opgaaf van een uiterste termijn voor de uitvoering ervan; zij kunnen tevens eisen dat het plan qua reikwijdte en uiterste termijn wordt bijgesteld;
d) zij kunnen eisen dat de instellingen in verband met de eigenvermogensvereisten een specifiek voorzieningenbeleid voeren of activa op een specifieke wijze behandelen;
e) zij kunnen restricties of beperkingen opleggen ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten, de transacties of het netwerk van instellingen dan wel de afstoting verlangen van activiteiten die buitensporige risico's voor de soliditeit van een instelling opleveren;
f) zij kunnen eisen dat het aan de werkzaamheden, producten en systemen van instellingen verbonden risico wordt beperkt;
g) zij kunnen eisen dat de instellingen de variabele beloning tot een bepaald percentage van hun netto-inkomsten beperken indien deze beloning niet met de instandhouding van een solide kapitaalbasis te verenigen is;
h) zij kunnen van de instellingen verlangen dat zij hun nettowinsten gebruiken om het eigen vermogen te versterken;
i) zij kunnen uitkeringen of rentebetalingen door een instelling aan aandeelhouders, leden of houders van aanvullend-tier 1-instrumenten beperken of verbieden mits het verbod niet leidt tot wanbetaling door de instelling;
j) zij kunnen aanvullende rapportagevereisten opleggen of een frequentere rapportage opleggen, onder meer wat de rapportage over kapitaal en liquiditeitsposities betreft;
k) zij kunnen specifieke liquiditeitsvereisten opleggen, waaronder beperkingen ten aanzien van looptijdverschillen tussen activa en passiva;
l) zij kunnen aanvullende openbaarmakingen eisen.
2. De in lid 1, punt a), bedoelde additionele eigenvermogensvereisten worden door de bevoegde autoriteiten opgelegd in ten minste indien:
a) een instelling niet voldoet aan het vereiste als vervat in artikelen 73 en 74 van deze richtlijn of artikel 393 van Verordening (EU) nr. 575/2013;
b) risico's of aspecten van risico's niet vallen onder de eigenvermogensvereisten van hoofdstuk 4 van deze titel of van Verordening (EU) nr. 575/2013;
c) de enkele toepassing van andere administratieve maatregelen weinig kans van slagen heeft om binnen een redelijk tijdsbestek de regelingen, processen, mechanismen en strategieën in voldoende mate te verbeteren;
d) uit de in artikel 98, lid 4, of artikel 101, lid 4, bedoelde toetsing blijkt dat het niet-naleven van de vereisten voor de toepassing van de betrokken benadering waarschijnlijk zal leiden tot ontoereikende eigenvermogensvereisten;
e) de risico's waarschijnlijk worden onderschat ondanks de toepasselijke vereisten van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden nageleefd; of
f) een instelling overeenkomstig artikel 377, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 aan de bevoegde autoriteit meldt dat de resultaten van de in dat artikel bedoelde stresstest wezenlijk hoger liggen dan haar eigenvermogensvereiste voor de correlatiehandelsportefeuille.
3. Voor de bepaling van het passende niveau van het eigen vermogen op basis van de toetsing en evaluatie overeenkomstig afdeling III, gaan de bevoegde autoriteiten na of boven het eigenvermogensvereiste een additioneel eigenvermogensvereiste moet worden opgelegd om risico's te ondervangen waaraan een instelling is of kan zijn blootgesteld, waarbij zij met het volgende rekening houden:
a) de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van het in artikel 73 bedoelde beoordelingsproces van een instelling;
b) de in artikel 74 bedoelde regelingen, processen en mechanismen van een instelling;
c) de uitkomst van de toetsing en evaluatie overeenkomstig artikel 97 of artikel 101;
d) de beoordeling van het systeemrisico.