Art. 105 Richtlijn 2013/36/EU, Specifieke liquiditeitsvereisten
Voor de bepaling van het passende niveau van liquiditeitsvereisten op basis van de toetsing en evaluatie overeenkomstig afdeling III, gaan de bevoegde autoriteiten na of een specifiek liquiditeitsvereiste moet worden opgelegd om liquiditeitsrisico's te ondervangen waaraan een instelling is of kan zijn blootgesteld, waarbij zij met het volgende rekening houden:
a) het specifieke bedrijfsmodel van de instelling;
b) de in afdeling II en meer bepaald in artikel 86, bedoelde regelingen, processen en mechanismen van de instelling;
c) de uitkomst van de toetsing en evaluatie overeenkomstig artikel 97;
d) systemische liquiditeitsrisico's die de integriteit van de financiële markten van de betrokken lidstaat bedreigen.
In het bijzonder, en onverminderd artikel 67, dienen de bevoegde autoriteiten na te gaan of het nodig is administratieve sancties of andere administratieve maatregelen toe te passen, met inbegrip van prudentiële heffingen, waarvan het niveau grosso modo in verhouding staat tot de mate waarin de feitelijke liquiditeitspositie van een instelling afwijkt van enig liquiditeitsvereiste en het stabielefinancieringsvereiste zoals bepaald op nationaal niveau of Unie-niveau.