Art. 19 Richtlijn 2013/30/EU, Voorkoming van zware ongevallen door exploitanten en eigenaars

Richtlijn 2013/30/EU

1. De lidstaten schrijven voor dat exploitanten en eigenaars een document opstellen waarin hun bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen dat moet worden ingediend overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder a), wordt uiteengezet, en dat zij ervoor zorgen dat het bij al hun offshore olie- en gasactiviteiten wordt toegepast, onder meer door passende controleregelingen te treffen om de doeltreffendheid van het beleid te waarborgen. Het document bevat de gegevens vermeld in bijlage I, deel 8.

2. In het bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen wordt er rekening mee gehouden dat de exploitant in eerste instantie verantwoordelijk is voor onder meer de beheersing van de risico’s van een zwaar ongeval ten gevolge van zijn activiteiten en voor het steeds beter beheersen van die risico’s, teneinde te allen tijde een hoog beschermingsniveau te garanderen.

3. De lidstaten zien erop toe dat exploitanten en eigenaars een document opstellen waarin zij hun veiligheids- en milieubeheerssysteem beschrijven, en dat moet worden ingediend op grond van artikel 11, lid 1, onder b). Dat document bevat een beschrijving van:

a) hun organisatorische regelingen voor de controle op grote gevaren;

b) regelingen voor het opstellen en indienen van rapporten inzake grote gevaren en andere documenten, in voorkomend geval, uit hoofde van deze richtlijn, en

c) regelingen voor onafhankelijke verificatie ingesteld op grond van artikel 17.

4. De lidstaten zorgen ervoor dat exploitanten en eigenaars de kans krijgen om bij te dragen tot mechanismen voor het overeenkomstig artikel 6, lid 8, ingestelde doeltreffende tripartiete overleg. In voorkomend geval kan in het bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen worden vermeld dat de exploitant zich aan dergelijke mechanismen gebonden acht.

5. Het bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen en de veiligheids- en milieubeheersystemen worden ontwikkeld overeenkomstig bijlage I, delen 8 en 9, en bijlage IV. De volgende voorwaarden zijn van toepassing:

a) het bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen wordt schriftelijk opgesteld en daarbij worden de algemene doelstellingen en de organisatie met betrekking tot de regelingen voor de beheersing van de risico’s van zware ongevallen vastgesteld en wordt bepaald hoe deze doelstellingen moeten worden bereikt en hoe regelingen op bedrijfsniveau worden toegepast;

b) het veiligheids- en milieubeheersysteem wordt geïntegreerd in het totale beheersysteem van de exploitant of de eigenaar en omvat de organisatorische structuur, verantwoordelijkheden, praktijken, procedures, processen en middelen om het bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen te bepalen en uit te voeren.

6. De lidstaten zorgen ervoor dat exploitanten en eigenaars een volledige inventaris opstellen en aanhouden van voor hun offshore olie- en gasactiviteiten bestemde uitrusting om te reageren op noodsituaties.

7. De lidstaten zien erop toe dat exploitanten en eigenaars, in overleg met de bevoegde autoriteit en met gebruikmaking van de uitwisseling van kennis, informatie en ervaringen als bedoeld in artikel 27, lid 1, normen en richtsnoeren voor beste praktijken in verband met de beheersing van grote gevaren opstellen en toetsen tijdens het ontwerp en de exploitatiecyclus van offshore olie- en gasactiviteiten. Zij hanteren daarbij minimaal de hoofdpunten uit bijlage VI.

8. De lidstaten verplichten exploitanten en eigenaars ervoor te zorgen dat het in lid 1 bedoelde document waarin hun bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen wordt uiteengezet, tevens hun productie- en niet-productie-installaties buiten de Unie omvat.

9. Wanneer een door een exploitant of een eigenaar verrichte activiteit een direct gevaar voor de menselijke gezondheid oplevert of het risico op een zwaar ongeval aanzienlijk vergroot, zorgen de lidstaten ervoor dat de exploitant of de eigenaar geschikte maatregelen neemt die, indien dat nodig wordt geacht, de opschorting van de betrokken activiteit kunnen inhouden totdat het gevaar of het risico voldoende wordt beheerst. De lidstaten zien erop toe dat wanneer dergelijke maatregelen worden genomen, de exploitant of de eigenaar de bevoegde autoriteit daarvan onverwijld, binnen 24 uur nadat de maatregelen zijn genomen, in kennis stelt.

10. De lidstaten zien erop toe dat de exploitanten en eigenaars, waar toepasselijk, maatregelen nemen om de betrouwbaarheid van passende technische middelen of procedures om het verzamelen van gegevens uit registers nog betrouwbaarder te maken en de eventuele manipulatie daarvan te voorkomen.

Vorige artikelen

Volgende artikelen