Art. 16 Verordening (EU) nr. 65/2011, Verlagingen en uitsluitingen in verband met de oppervlakte

Verordening (EU) nr. 65/2011

1. Indien een begunstigde voor een bepaald jaar niet alle oppervlakten landbouwgrond aangeeft en het verschil tussen enerzijds de totale in de betalingsaanvraag aangegeven oppervlakte landbouwgrond en anderzijds de som van de aangegeven oppervlakte en de totale oppervlakte van de niet-aangegeven percelen landbouwgrond groter is dan 3 % van de aangegeven oppervlakte, wordt het totale bedrag aan steun in het kader van oppervlaktegebonden maatregelen dat voor dat jaar aan die begunstigde moet worden betaald, verlaagd met maximaal 3 %, afhankelijk van de ernst van het verzuim.

De eerste alinea is niet van toepassing wanneer alle betrokken oppervlakten landbouwgrond bij de bevoegde autoriteiten zijn aangegeven in het kader van:

a) het in artikel 15 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde geïntegreerd systeem, of

b) andere beheers- en controlesystemen die compatibiliteit met het geïntegreerd systeem als bedoeld in artikel 26 van die verordening garanderen.

2. Voor de toepassing van dit artikel worden de door een begunstigde aangegeven oppervlakten waarvoor in het kader van een bepaalde oppervlaktegebonden maatregel de hoogte van de ontvangen steun dezelfde is, als één gewasgroep beschouwd. Worden degressieve steunbedragen gebruikt, dan wordt het gemiddelde van deze bedragen voor de respectieve aangegeven oppervlakten in aanmerking genomen.

3. Indien de voor een gewasgroep geconstateerde oppervlakte groter blijkt te zijn dan de in de betalingsaanvraag aangegeven oppervlakte, wordt de aangegeven oppervlakte gebruikt voor de berekening van de steun.

Indien voor een gewasgroep de in de betalingsaanvraag aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt de betrokken steun berekend op basis van de voor die gewasgroep geconstateerde oppervlakte.

Wanneer het verschil tussen de totale geconstateerde oppervlakte en de totale in de betalingsaanvraag aangegeven oppervlakte bij een maatregel niet meer bedraagt dan 0,1 hectare, wordt de geconstateerde oppervlakte evenwel geacht gelijk te zijn aan de aangegeven oppervlakte. Voor deze berekening worden uitsluitend te hoge aangiften van oppervlakten op het niveau van de gewasgroep in aanmerking genomen.

Het bepaalde in de derde alinea geldt niet wanneer het verschil meer dan 20 % van de totale met het oog op betaling aangegeven oppervlakte uitmaakt.

Indien voor de subsidiabele oppervlakte een bovengrens of een maximum is vastgesteld, wordt het in de betalingsaanvraag aangegeven aantal hectaren tot die bovengrens of dat maximum verlaagd.

4. Indien dezelfde oppervlakte dient als basis voor betalingsaanvragen in het kader van meer dan één oppervlaktegebonden maatregel, wordt die oppervlakte voor elk van de maatregelen afzonderlijk in aanmerking genomen.

5. In het in lid 3, tweede alinea, bedoelde geval wordt de steun berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil indien dat verschil meer dan 3 % van de geconstateerde oppervlakte of meer dan twee hectare, maar niet meer dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte bedraagt.

Bedraagt het verschil meer dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, dan wordt voor de betrokken gewasgroep geen steun toegekend.

Bedraagt het verschil meer dan 50 %, dan wordt de begunstigde nogmaals van steun uitgesloten tot het verschil tussen de in de betalingsaanvraag aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte.

6. Indien de in lid 3, tweede alinea, bedoelde verschillen tussen de in de betalingsaanvraag aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte het gevolg zijn van opzettelijk te hoge aangiften, wordt voor het betrokken kalenderjaar de steun waarop de begunstigde overeenkomstig die alinea in het kader van de desbetreffende oppervlaktegebonden maatregel aanspraak zou kunnen maken, niet toegekend wanneer die verschillen meer dan 0,5 % van de geconstateerde oppervlakte of meer dan één hectare bedragen.

Bedraagt het verschil meer dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, dan wordt de begunstigde nogmaals van steun uitgesloten voor een bedrag gelijk aan het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte.

7. Het bedrag dat voortvloeit uit de in lid 5, derde alinea, en lid 6, tweede alinea, bedoelde uitsluitingen, wordt verrekend overeenkomstig artikel 5 ter van Verordening (EG) nr. 885/2006 van de Commissie (8). Indien het bedrag niet volledig overeenkomstig dat artikel kan worden verrekend gedurende de drie kalenderjaren volgende op het kalenderjaar waarin het verschil is vastgesteld, komt het nog uitstaande saldo te vervallen.