Art. 260 Richtlijn 2009/138/EG, Moederondernemingen van buiten de Gemeenschap: verificatie van gelijkwaardigheid

Richtlijn 2009/138/EG

1. In het in artikel 213, lid 2, onder c), bedoelde geval verifiëren de betrokken toezichthoudende autoriteiten of de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen waarvan de moederonderneming haar hoofdkantoor buiten de Gemeenschap heeft, onderworpen zijn aan door een toezichthoudende autoriteit van een derde land uitgeoefend toezicht dat gelijkwaardig is aan het toezicht uit hoofde van de bepalingen van deze titel betreffende het toezicht op groepsniveau op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 213, lid 2, onder a) en b).

De verificatie geschiedt door de toezichthoudende autoriteit die de groepstoezichthouder zou zijn indien de criteria van artikel 247, lid 2, van toepassing waren, hetzij op verzoek van de moederonderneming of van een van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen waaraan in de Gemeenschap vergunning is verleend, hetzij op haar eigen initiatief, tenzij de Commissie al eerder een uitspraak heeft gedaan over de gelijkwaardigheid van het betrokken derde land. Daarbij raadpleegt die toezichthoudende autoriteit de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen alvorens een besluit te nemen.

2. De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen nemen waarbij criteria worden vastgesteld om te bepalen of de regeling van een derde land voor het groepstoezicht gelijkwaardig is aan die waarin deze titel voorziet. Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

3. Na raadpleging van het Europees Comité voor verzekeringen en bedrijfspensioenen kan de Commissie volgens de regelgevingsprocedure van artikel 301, lid 2, en rekening houdend met de overeenkomstig lid 2 vastgestelde criteria besluiten of de regeling van een derde land voor het groepstoezicht gelijkwaardig is aan die waarin deze titel voorziet.

Deze besluiten worden regelmatig aan een nieuw onderzoek onderworpen om rekening te houden met eventuele wijzigingen in de regeling voor het groepstoezicht waarin deze titel voorziet, alsook in de regeling van het derde land voor het groepstoezicht en andere wijzigingen in de regelgeving die van invloed kunnen zijn op het besluit over de gelijkwaardigheid.

Wanneer de Commissie overeenkomstig de eerste alinea een besluit ten aanzien van een derde land heeft genomen, wordt dat besluit als definitief erkend voor de in lid 1 bedoelde verificatie.