Art. 17 De algemene groepsvrijstellingsverordening, Definities

Verordening (EG) nr. 800/2008 (De algemene groepsvrijstellingsverordening)

Voor de toepassing van dit deel wordt verstaan onder:

1. „milieubescherming”: elke maatregel die is gericht op de preventie of het herstel van aantastingen van de natuurlijke omgeving of de natuurlijke hulpbronnen door de eigen activiteiten van de begunstigde, op het beperken van het risico op dergelijke aantastingen, dan wel op de aanmoediging van een rationeler gebruik van die hulpbronnen, met inbegrip van energiebesparende maatregelen en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen;

2. „energiebesparende maatregelen”: alle maatregelen die de ondernemingen in staat stellen het energieverbruik met name in hun productiecyclus te verminderen;

3. „communautaire norm”:

a) een verplichte communautaire norm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, of

b) de verplichting op grond van Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad (30) de beste beschikbare technische middelen (BAT) te gebruiken, zoals uiteengezet in de recentste relevante informatie die de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 2, van die richtlijn heeft bekendgemaakt;

4. „hernieuwbare energiebronnen”: de volgende hernieuwbare, niet-fossiele energiebronnen: windenergie, zonne-energie, geothermische energie, golfenergie, getijdenenergie, waterkrachtinstallaties, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas;

5. „biobrandstof”: vloeibare of gasvormige brandstof voor vervoer die uit biomassa is gewonnen;

6. „duurzame biobrandstoffen”: biobrandstoffen die voldoen aan de duurzaamheidscriteria van artikel 15 van het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (31). Zodra de richtlijn door het Europees Parlement en de Raad is aangenomen en in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt, zijn de duurzaamheidscriteria van de richtlijn van toepassing;

7. „energie uit hernieuwbare energiebronnen”: energie opgewekt met installaties waarbij uitsluitend van hernieuwbare energiebronnen wordt gebruikgemaakt, alsmede het aandeel in calorische waarde van de met hernieuwbare energiebronnen in hybride installaties opgewekte energie die ook met conventionele energiebronnen werken. Hieronder valt ook voor accumulatiesystemen gebruikte hernieuwbare elektriciteit, maar niet elektriciteit die van dergelijke systemen afkomstig is;

8. „warmtekrachtkoppeling”: gelijktijdige opwekking in één proces van thermische energie en elektrische en/of mechanische energie;

9. „hoogrenderende warmtekrachtkoppeling”: warmtekrachtkoppeling die voldoet aan de criteria van Bijlage III bij Richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad (32) en aan de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden zoals die in Beschikking 2007/74/EG van de Commissie (33) zijn vastgesteld;

10. „milieubelasting”: een belastingmaatregel waarvan de bijzondere belastinggrondslag een duidelijk negatief milieueffect heeft of die op bepaalde activiteiten, goederen of diensten drukt, zodat de milieukosten in de prijs ervan worden opgenomen en/of de producenten en verbruikers worden aangezet tot activiteiten die voor het milieu minder schadelijk zijn;

11. „communautair minimumbelastingniveau”: het in de Gemeenschapswetgeving vastgestelde minimumbelastingniveau. Voor energieproducten en elektriciteit is het communautaire minimumbelastingniveau het in bijlage I bij Richtlijn 2003/96/EG vastgestelde minimumbelastingniveau;

12. „materiële activa”: investeringen in gronden (wanneer deze absoluut noodzakelijk zijn om aan de milieudoelstellingen te voldoen), gebouwen, installaties en uitrustingen, met als doel vervuiling en hinder te beperken of te beëindigen, en investeringen om de productiemethoden aan te passen met het oog op de bescherming van het milieu.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen