Art. 21 De algemene groepsvrijstellingsverordening, Milieu-investeringssteun ten behoeve van energiebesparende maatregelen
Verordening (EG) nr. 800/2008 (De algemene groepsvrijstellingsverordening)
1. Milieu-investeringssteun waardoor ondernemingen energiebesparingen kunnen behalen, is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits hij voldoet aan:
a) aan de in de leden 2 en 3 van dit artikel vastgestelde voorwaarden, of
b) aan de in de leden 4 en 5 vastgestelde voorwaarden.
2. De steunintensiteit bedraagt niet meer dan 60 % van de in aanmerking komende kosten.
De steunintensiteit kan evenwel met 20 procentpunt worden verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunt voor steun aan middelgrote ondernemingen.
3. De in aanmerking komende kosten zijn de extra investeringskosten die noodzakelijk zijn om een niveau aan energiebesparing te bereiken dat het door de communautaire normen vereiste niveau overtreft.
De in aanmerking komende kosten worden berekend, zoals bepaald in artikel 18, leden 6 en 7.
De in aanmerking komende kosten worden berekend exclusief de exploitatiebaten en -kosten die betrekking hebben op de extra investering voor energiebesparing en die zijn ontstaan in de eerste drie jaar van de levensduur van deze investering in het geval van kmo’s, in de eerste vier jaar in het geval van grote ondernemingen die niet aan het EU-systeem inzake CO2-emissiehandel deelnemen, en in de eerste vijf jaar in het geval van grote ondernemingen die wel aan het EU-systeem inzake CO2-emissiehandel deelnemen. Voor grote ondernemingen mag deze periode worden beperkt tot de eerste drie jaar van de levensduur van deze investering indien kan worden aangetoond dat de afschrijvingsperiode van deze investering niet meer dan drie jaar bedraagt.
De berekeningen van de in aanmerking komende kosten worden door een externe accountant gecertificeerd.
4. De steunintensiteit bedraagt niet meer dan 20 % van de in aanmerking komende kosten.
De steunintensiteit kan evenwel met 20 procentpunt worden verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunt voor steun aan middelgrote ondernemingen.
5. De in aanmerking komende kosten worden berekend, zoals bepaald in artikel 18, leden 6 en 7, en zonder de exploitatiebaten en exploitatiekosten in aanmerking te nemen.