Art. 16, Omstandigheden van bewaring
1. Voor bewaring wordt in de regel gebruik gemaakt van speciale inrichtingen voor bewaring. Indien een lidstaat de onderdanen van een derde land die in bewaring worden gehouden, niet kan onderbrengen in een gespecialiseerde inrichting voor bewaring en gebruik dient te maken van een gevangenis, worden zij gescheiden gehouden van de gewone gevangenen.
2. De in bewaring gestelde onderdanen van derde landen wordt op verzoek toegestaan te gelegener tijd contact op te nemen met wettelijke vertegenwoordigers, familieleden en bevoegde consulaire autoriteiten.
3. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de situatie van kwetsbare personen. In dringende medische zorg en essentiële behandeling van ziekte wordt voorzien.
4. Relevante en bevoegde nationale, internationale en niet-gouvernementele organisaties en instanties hebben de mogelijkheid de in lid 1 bedoelde inrichtingen voor bewaring te bezoeken, voor zover zij dienen voor de bewaring van onderdanen van derde landen overeenkomstig dit hoofdstuk. Het bezoek kan afhankelijk worden gesteld van toestemming.
5. De in bewaring gestelde onderdanen van derde landen krijgen stelselmatig informatie over de regels die in de inrichting gelden en over hun rechten en plichten. Hiertoe behoort ook informatie over het in de nationale wetgeving vastgelegde recht om contact op te nemen met de in lid 4 bedoelde organisaties en instanties.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Den Haag 22 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5970
- ABRvS 22 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1605
- Rb. 's-Gravenhage 17 maart 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ5097
- ABRvS 6 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0115
- ABRvS 1 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV8595
- Rb. Den Haag 14 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5294
- Rb. Den Haag 17 november 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:16849
- Rb. Den Haag 28 februari 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ6332