Rb. 's-Gravenhage 27 november 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BY4957

Verweerder wordt niet gevolgd in zijn stelling dat het onderhavige beroep moet worden geacht te zijn beperkt tot de vrijheidsontnemende maatregel. In het standaardformulier, waarmee beroep is ingesteld, is het vakje met de vermelding: “Beroepschrift tegen de maatregel ex artikel 6 Vw” aangekruist. In het formulier is geen onderscheid gemaakt tussen beroep tegen de maatregel op grond van het eerste lid en beroep tegen de maatregel op grond van het eerste èn tweede lid van artikel 6 Vw. Plaatsing van eiser in de Lounge te Schiphol moet worden opgevat als een ‘andere minder dwingende maatregel’ als vermeld in artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn en niet als ‘bewaring’ in de zin van dit artikel. Uit artikel 36, eerste lid, onder b van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen en artikel 5.5, tweede lid Vb wordt op verzoek van de vreemdeling van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsontnemende maatregel ingevolge artikel 6, tweede lid, Vw, zo spoedig mogelijk kennis gegeven aan een in Nederland gevestigde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de staat waarvan hij onderdaan is. Niet in geschil is dat eisers toekomende recht op consulaire bijstand is geschonden. Zoals de Afdeling heeft overwogen, betekent dat niet dat er geen ruimte is voor een belangenafweging. Door eiser zijn geen belangen gesteld op grond waarvan verweerder niet had mogen over gaan tot het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 6, tweede lid, Vw. De enkele stelling dat schending van het recht op consulaire bijstand zodanig ernstig is dat daarom een belangenafweging in het voordeel van eiser dient uit te vallen, is daartoe onvoldoende. Uit de bewoordingen en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 28, eerste lid, van de Wbtv volgt dat deze bepaling, behoudens toepassing van het derde lid, onder meer de Koninklijke Marechaussee verplicht tot het inschakelen van beëdigde tolken of vertalers, indien gebruik van een tolk of vertaler nodig wordt geacht. Uit de gedingstukken blijkt niet dat eiser bij de oplegging van de maatregel gebruik is gemaakt van een als zodanig beëdigde tolk in de Portugese taal. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2012 (LJN: BX0750) heeft dit niet zonder meer tot gevolg dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is. Eiser heeft niet gesteld of en zo ja, in hoeverre hij door het gebruik van een niet beëdigde tolk is benadeeld, bestaat geen grond voor het oordeel dat het met de vrijheidsontnemende maatregel gediende belang van de grensbewaking niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek. Juist is dat verweerder de Opvangrichtlijn niet in de nationale vreemdelingenwetgeving heeft omgezet. Dit laat echter onverlet dat de nationale rechter, alvorens te beoordelen of de betreffende bepalingen van de richtlijn rechtstreekse werking hebben, moet onderzoeken of het nationale recht zoveel mogelijk conform die richtlijn kan worden uitgelegd, teneinde de volle werking van deze richtlijn te verzekeren. In de uitspraak van 22 mei 2012 heeft de Afdeling dat onderzocht en geconcludeerd dat artikel 6, eerste en tweede lid, Vw alsmede het daarop gebaseerde beleid in de Vc en de praktische invulling van dat beleid conform artikel 7, derde lid, van de Procedurerichtlijn kan worden uitgelegd. Artikel 6, eerste en tweede lid, Vw zijn nationale wettelijke bepalingen als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Opvangrichtlijn. Dat die bepalingen zijn uitgewerkt in beleid, waaronder begrepen de uitvoeringspraktijk, kan niet, zoals door eiser gesteld, tot de conclusie leiden dat niet is voldaan aan het vereiste niveau van regulering. De maatregel is evenmin in strijd met artikel 18, lid 1, van de Procedurerichtlijn. Uit het arrest Kadzoev niet kan worden afgeleid dat het Hof daarmee de vrijheidsontneming van een asielzoeker, aan wie de toegang is geweigerd, in strijd met artikel 7, derde lid, van de Opvangrichtlijn of artikel 18, eerste lid, van de Procedurerichtlijn acht. De mogelijkheid om aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen wordt voorts niet beperkt door artikel 63, eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (verder: het EG-Verdrag) juncto artikel 7, derde lid, van de Opvangrichtlijn en artikel 26 van het Vluchtelingenverdrag. Hoewel eiser op het moment dat hem de verdere toegang werd geweigerd de hoedanigheid van asielzoeker had, betekent dat nog niet dat hij met het oog op de aanspraak op verdere toegang moet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Hiervoor is steun te vinden in artikel 28 van de Procedurerichtlijn gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, waarin is bepaald dat het recht om hier te lande te blijven louter betrekking heeft op de procedure waarin nog moet worden vastgesteld of een vreemdeling in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus. Daarom kan verzoeker aan artikel 26 van het Vluchtelingenverdrag geen aanspraak ontlenen. Vast staat dat eiser aan de grens, in afwachting van een beslissing op zijn asielaanvraag, rechtmatig op het grondgebied van Nederland verblijft. Dit laat onverlet dat aan verzoeker de verdere feitelijke binnenkomst tot het grondgebied van Nederland is geweigerd. De verdere toegangsweigering strekt er aldus toe aan verzoeker te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen. Dit is in overeenstemming met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, EVRM.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen