Art. 21 Richtlijn 2008/57/EG, Vergunning voor indienststelling van een voertuig

Richtlijn 2008/57/EG

1. Alvorens op een net te worden gebruikt, wordt voor de indienststelling van een voertuig een vergunning afgegeven door de nationale veiligheidsinstantie die voor dit net bevoegd is, tenzij in dit hoofdstuk anderszins is bepaald.

2. Voor een TSI-conform voertuig wordt een vergunning verleend overeenkomstig artikel 22 of 23.

3. Voor een niet-TSI-conform voertuig wordt een vergunning verleend overeenkomstig artikel 24 of 25.

4. Voor een voertuig dat conform is met een toegelaten type, wordt een vergunning verleend overeenkomstig artikel 26.

5. Een door een lidstaat verleende vergunning wordt in alle lidstaten erkend, onverminderd het bepaalde in de artikelen 23 en 25 betreffende aanvullende vergunningen. De lidstaten zorgen voor verduidelijking door specifieke nationale regels vast te stellen en door middel van nationale bepalingen ter uitvoering van deze richtlijn, indien aanvullende vergunningen nodig zijn overeenkomstig de relevante bepalingen van artikel 23 in het geval van TSI-conforme voortuigen, of artikel 25 in het geval van niet-TSI-conforme voertuigen.

6. De bevoegde nationale veiligheidsinstantie neemt een besluit over alle aanvragen om een vergunning tot indienststelling, overeenkomstig de artikelen 22 en 23, of de artikelen 24 en 25. In de vergunning voor indienststelling mogen gebruiksvoorwaarden en andere beperkingen worden vermeld.

7. Elke beslissing van de bevoegde veiligheidsinstantie tot weigering van indienststelling van een voertuig moet worden gemotiveerd. De aanvrager kan binnen een termijn van één maand na de ontvangst van de afwijzing, met voldoende redenen omkleed, vragen of de bevoegde nationale veiligheidsinstantie haar besluit herziet. De nationale veiligheidsinstantie beschikt vervolgens over een termijn van twee maanden vanaf de ontvangst van het beroep om haar besluit ter bevestigen of te herzien. Indien het negatieve besluit wordt bevestigd, mag de aanvrager, met voldoende redenen omkleed, verzoeken dat het beroepsorgaan dat door de bevoegde lidstaat is aangewezen uit hoofde van artikel 17, lid 3, van Richtlijn 2004/49/EG het besluit om voldoende gemotiveerde redenen herziet. De lidstaten mogen hun overeenkomstig artikel 30 van Richtlijn 2001/14/EG ingestelde controle-instantie aanwijzen voor de afhandeling van deze beroepsprocedure.

8. Indien binnen de voorgeschreven termijn geen beslissing is genomen door een bevoegde veiligheidsinstantie, als bedoeld in de artikelen 23, lid 7, en 25, lid 5, beschouwt de aanvrager het betrokken voertuig als goedgekeurd na een periode van drie maanden na afloop van deze termijnen. De goedkeuringen die op grond van dit lid zijn verleend gelden alleen voor het netwerk met betrekking waartoe de bevoegde nationale veiligheidsinstantie niet binnen de voorgeschreven termijnen een beslissing heeft genomen.

9. Een nationale veiligheidsinstantie die voornemens is een door haarzelf afgegeven goedkeuring tot indienststelling of een aan een aanvrager uit hoofde van lid 8 verleende goedkeuring in te trekken maakt hiervoor gebruik van de procedure voor de herziening van veiligheidscertificaten bedoeld in artikel 10, lid 5, van Richtlijn 2004/49/EG of eventueel van de procedure voor de herziening van veiligheidsgoedkeuringen bedoeld in artikel 11, lid 2, van die richtlijn.

10. In geval van een beroepsprocedure kan de bevoegde beroepsinstantie bedoeld in lid 7 om een advies van het Europese Spoorwegbureau verzoeken dat in dat geval uiterlijk een maand na de indiening van de aanvraag moet worden uitgebracht en ter kennis moet worden gebracht van de aanvrager, de beroepsinstantie en de nationale veiligheidsinstantie die de goedkeuring heeft geweigerd.

11. In geval van voertuigen die tussen een lidstaat en derde land rijden op een netwerk waarvan de spoorbreedte verschillend is van die van het hoofdspoorwegnet in de Gemeenschap en waarvoor overeenkomstig artikel 9, lid 5, een afwijking kan worden toegestaan, of waarop een uitzondering van toepassing is, kunnen de in de artikelen 22 en 24 bedoelde nationale voorschriften internationale overeenkomsten omvatten, voor zover deze verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht.

12. Vergunningen voor indienststelling die zijn afgegeven vóór 19 juli 2008 te verzoeken, met inbegrip van vergunningen die in het kader van internationale overeenkomsten, met name de RIC (Regolamento Internazionale Carrozze) en de RIV (Regolamento Internazionale Veicoli), zijn verleend, blijven geldig overeenkomstig de voorwaarden waaronder de vergunningen zijn verleend. Deze bepaling heeft voorrang op de artikelen 22 tot en met 25.

13. De lidstaten mogen vergunningen verlenen voor de indienststelling van een serie voertuigen. Te dien einde brengen de nationale veiligheidsinstanties de aanvrager op de hoogte van de te volgen procedure.

14. Goedkeuringen voor indienststelling, verleend overeenkomstig dit artikel, laten andere eisen onverlet die spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders zijn opgelegd voor het exploiteren van dergelijke voertuigen op het relevante netwerk overeenkomstig de artikelen 9, 10 en 11 van Richtlijn 2004/49/EG.

Uitspraken die dit artikel aanhalen